In late 1994, Paul Shepard gave a talk, “The Origin of the Metaphor: The Animal Connection,” as part of the “Writings on the Imagination” lecture series at the Museum of Natural History in NYC. (Full text included in The Others, Island Press/Shearwater Books, pages 331-333.) He ended his remarks with “a letter delivered to me by a bear,” addressed to humanity from the Others, the animals. These words were among the last spoken on a public occasion before his death from cancer in 1996.


From: The Forest, The Sea, The Desert, The Prairie

Dear Primate P. Shepard and Interested Parties:

We nurtured the humans from a time before they were in the present form. When we first drew around them they were, like all animals, secure in a modest niche. Their evident peculiarities were clearly higher primate in their obsession, social status, and personal identity. In that respect they had grown smart, subtle, and devious, committed to a syndrome of tumultuous, aseasonal, erotic, hierarchic power.

Like their nearest kin, they had elevated a certain kind of attention to a remarkable acuity which made them caring, protective, mean, and nasty in the peculiar combination of squinched facial feature and general pettiness of monkeys.

In ancient savannas we slowly teased them out of their chauvinism. In our plumage we gave them aesthetics. In our courtships we tutored them in dance. In the gestures of antlered heads we showed them ceremony and the power of the mask. In our running hooves we revealed the secret of grain. As meat we courted them from within.

As foragers, their glance shifted a little from corms and rootlets, from the incessant bickering and scuffling of their inherited social introversion. They began looking at the horizon, where some of us were both danger and greater substance.

At first it was just a nudge–food stolen from the residue of lion kills, contended for with jackals and vultures, the search for hidden newborn gazelles, slow turtles, and eggs. We gradually became for them objects of thought, of remembering, telling, planning, and puzzling us out as the mystery of energy itself.

We tutored them from the outside. Dancing us, they began to see in us performances of their ideas and feelings. We became the concreteness of their own secret selves. We ate them and were eaten by them and so taught them the first metaphor of their frantic sociality: the outerness of themselves, and ourselves as their inwardness.

As a bequest of protein we broke the incessant round of herbivorous munching, giving them leisure. This made possible the lithe repose of apprentice predation and a new meaning for rumination, freeing them from the drudgery of browsing and the grip of relentless interpersonal strife. Bringing them into omnivorousness, we transformed them forever and they entered the game as a different player.

Not that they abandoned their appetite for greens and fruits, but enlarged it to seeds and meat, and to the risky landscapes of the mind. The savanna or tundra was essential to this tutorial, as a spaciousness open to infinite strategies of pursuit and escape, stretching the senses to their most distant reference. Their thought was invited to a new kind of executorship, incorporating remembrance and planning, to parallels between themselves and the Others and to words-our names-that enabled them to share images and ideas.

Having been committed in this way, first as food and then as the imagery of a great variety of events and processes, from signs in dreams to symbols in metaphysics, we have accompanied humans ever since. Having made them human, we continue to do so individually, and now serve more and more in therapeutic ways, holding their hands, so to speak, as they kill our wildness.

As slaves we stay close. As something to “pet” and to speak to, someone to be there and need them, to be their first lesson in otherness, we have shared their homes for ten thousand years. They have made that tie a bond. From the private home we have gone out to the wounded and lonely, to those yearning for unqualified devotion–to hospitals, hospices, homes for the aged, wards of the sick, the enclaves of the handicapped and retarded, and prison.

All that is well enough, but it involves only our minimal, domesticated selves, not our wild and perfect forms. It smells of dependency.

They still do not realize that they need us, thinking that we are simply one more comfort or curiosity. We have not regained the central place in their thought or meaning at the heart of their ecology and philosophy. Too often we are merely physical reality, mindless passion and brutality, or abstract tropes and symbols.

Sometimes we have to be underhanded. We slip into their dreams, we hide in the language, disguised in allusion, we mask our philosophical role in “nature aesthetics,” we cavort to entertain. We wait in children’s books, in pretty pictures, as burlesques in cartoons, as toys, designs in the very wallpaper, as rudimentary companion or pets.

We are marginalized, trivialized. We have sunk to being objects, commodities, possessions. We remain meat and hides, but only as a due and not as sacred gifts. They have forgotten how to learn the future from us, to follow our example, to heal themselves with our tissues and organs, forgotten that just watching our wild selves can be healing. Once we were the bridges, exemplars of change, mediators with the future and the unseen.

Their own numbers leave little room for us, and in this is their great misunderstanding. They are wrong about our departure, thinking it to be a part of their progress instead of their emptying. When we have gone they will not know who they are.

Supposing themselves to be the purpose of it all, purpose will elude them. Their world will fade into an endless dusk with no whippoorwill to call the owl in the evening and no thrush to make a dawn.

–The Others

[Copyright © 1996-2018 Florence Rose Krall Shepard. All rights reserved.]



Climbing to the top

La Revolution Jaune


De blinde hoek v.d. representatieve democratie

Pascal Debruyne | 20 februari 2018

Leestijd: 5 minuten

“We willen niet meer terug naar de jaren ’80, naar toestanden als Poupehan. Het middenveld betreurt dat het niet meer aan zet is. Wij zijn de grootste democratisch verkozen partij.” Dat is het antwoord van de N-VA in ‘Ter Zake’ bij monde van Peter Dedecker, op de kritiek van

Peter Wouters, voorzitter van, pende vorige week een veelbesproken ‘no pasaran’ opiniebijdrage neer, waarin hij de aanvallen van staatssecretaris voor Gelijke Kansen Zuhal Demir (N-VA) op gelijkekansencentrum Unia en het Minderhedenforum aanklaagt, en het politieoptreden bij Globe Aroma in Brussel in het kader van het Kanaalplan van Minister Jan Jambon (N-VA), waar mensen zonder papieren werden aangehouden.

Volgens Vlaams Volksvertegenwoordiger Marius Meremans (N-VA) moeten bepaalde organisaties zich aan hun missie houden, de wet niet overtreden of zich houden aan de krijtlijnen bepaald door het parlement waar zij als machtigste partij de krijtlijnen bepalen.

De N-VA reproduceert daarmee voortdurend de mythe dat de representatieve democratie de hele democratie beslaat, en dat diegene met de meeste macht zich totaliserend kan opstellen in die democratie.

De N-VA reproduceert voortdurend de mythe dat de representatieve democratie de hele democratie beslaat, en dat diegene met de meeste macht zich totaliserend kan opstellen in die democratie

Macht bepaalt ‘de wet’. Het middenveld is hooguit een loyale partner in goede tijden die beleid kan uitvoeren, burgers moeten bijeenbrengen in de vrijetijd en dienstverlening kan uitbouwen zolang dat niet leidt tot dwarsliggerij. Echter, zonder dwarsliggers rijdt de trein niet in een democratie. Toch niet in een democratie waar het georganiseerd meningsverschil voorop staat.

Wie moet wie de wet leren kennen?

Dat het middenveld de wet zou overtreden is vreemd. Kan iemand dat eerst bewijzen voor men dergelijke beschuldigingen lanceert? Dit is nog altijd een rechtstaat. Zoniet, dan lijkt het dictum van Wittgenstein: “Waarover men niet spreken kan, moet men zwijgen.”, een goede leidraad. En waar overtreedt men de krijtlijnen van het parlement?

Geen enkele van deze organisaties overtrad de wet of de Europese Verklaring van de Rechten van de Mens, waar Meremans naar verwijst. Onlangs nog stelde de hoogste magistraat van ons land dat mensen zonder wettig verblijf medische hulp verlenen, voedsel, kledij of onderdak geven, nooit een misdrijf kan zijn.

Dat kan niet gezegd worden van de federale regering in haar toetsing van Artikel 3 van het EVRM bij het terugsturen van Sudanezen bijvoorbeeld. Of verwijzen we naar al die keren dat België veroordeeld werd voor het schenden van het kinderrechtenverdrag voor het opsluiten van kinderen in detentiecentra? Wetend dat er nog van die detentiecentra worden bijgebouwd in de toekomst. Wie moet wie de wet lezen?

Wiens brood men eet, diens woord men spreekt

Wie zich niet schikt naar die N-VA-wetten van middenveld, krijgt het aan de stok met N-VA die zich opwerpt als dominante politieke actor in de Vlaamse regering.

De wet waarnaar N-VA verwijt is de wet die de partij zelf fabriceert. “Wiens brood men eet, diens woord men spreekt”, is de leuze van N-VA voor het middenveld en burgerorganisaties. Wie zich niet schikt naar die N-VA-wetten voor het middenveld, krijgt het aan de stok met de partij die zich opwerpt als dominante politieke actor in de Vlaamse regering.

Dat kan door allerlei doorgedrukte fusies zoals bijvoorbeeld in de inburgerings- en integratiesector mocht ervaren, of alle welzijnssteunpunten die gedwongen moesten fusioneren in SAM VZW. Of men voert besparingen of vermarkting door zoals de CAW-daklozenopvang ‘De Vaart’ overkwam in Antwerpen en een deel van de asielopvang met contracten voor G4S Care. Als dat de middenvelders niet stilhoudt, worden ze finaal geconfronteerd met voortdurende aanvallen en verdachtmaking met mogelijke broodroof als dreigement. KifKif vzw mocht dat enkele keren meemaken.

De droom van N-VA is een middenveld dat loyaal en uitvoerend is: een verlengstuk van de overheid. Kortom, men wil een gedepolitiseerd middenveld dat geenszins een andere maatschappij mag voorstaan, laat staan die kan afdwingen via diverse machtsstrategieën. Nochtans is die gepolitiseerde blik van een kritisch middenveld wel degelijk nodig.

Particratie dominanter dan ooit

De droom van N-VA is een middenveld dat loyaal en uitvoerend is: een verlengstuk van de overheid.

De particratie is namelijk dominanter dan ooit. Politiek gaat toenemend over een autonoom ecosysteem van ‘de partij’ in stand houden in plaats van volksvertegenwoordiging. We verwijzen naar de mandatencarrousel met bijbehorende vergoedingen die de loyaliteitsband tussen mandataris en partij strak moet betonneren. De kritiek op de parlementen tot en met de gemeenteraden waar iedereen zich moet schikken naar het poppenspel van de partij, zijn legio.

Dit soort ‘democratie’ vernauwt de praktijk en visie op democratie als het georganiseerd meningsverschil over hoe de maatschappij er moet uitzien. Het is dan ook niet vreemd dat in bepaalde dossiers middenvelders en burgerorganisaties een belangrijke rol gaan spelen om de waaier van mogelijke opties terug te openen.

Een spiegel voorhouden

In de reproductie van een enge democratie waarbij macht de wet bepaalt, komt één perspectief niet aan bod. Namelijk dat van een historisch afgedwongen en noodzakelijk recht op participatie. De N-VA framing dat representatieve democratie perfect zonder kan, is historisch betwijfelbaar. Er is een prangende nood aan extra ‘checks en balances’ in de huidige representatieve democratie.

Pascal Debruyne (c) PD

Er gaapt een kloof tussen het theoretische uitgangspunt van volksvertegenwoordiging en de praktijk. Het antwoord op wie er vertegenwoordigd wordt, beantwoordt allerminst aan het ideaaltypische uitgangspunt van representatie.

Er loopt een rode draad doorheen de geschiedenis van de laatste decennia waar de banden tussen projectontwikkelaars en beleidsmakers al te geprivilegieerd zijn. Dat is niet alleen het geval in de jaren ’50 en ’60 met Charlie De Pauw en toenmalig schepen van stedenbouw Paul Vanden Boeynants, of tussen “de betonpoeper” burgemeester Placide De Paepe en projectontwikkelaars in Gent in de jaren ‘80, of tussen ‘Paars’ en Bontinck in de laatste decennia in diezelfde stad.

Diezelfde praktijken komen de laatste jaren naar boven met bouwfirma’s als ‘Land Invest’ en financiële spelers als ‘Optima’ in Antwerpen en Gent. Het is precies tegen dat soort projecten dat van onderuit protest kwam. In het fabriceren van een stad op maat van projectontwikkelaars vergat men meer dan eens het belang van de stad op mensenmaat en reële noden aan de basis van wijken.

Is er net op dat punt geen gepolitiseerd middenveld nodig, meer dan we zelf nu kennen, om een spiegel voor te houden?

Waar we als burgers en middenveldorganisaties de laatste jaren mee geconfronteerd worden, is hoe macht vaak meer macht oproept, wat meer dan eens in oligarchische politiek eindigt waarin men zich onschendbaar waant. Is er net op dat punt geen gepolitiseerd middenveld nodig, meer dan we zelf nu kennen, om een spiegel voor te houden?

Kloof tussen burger en politiek

Maar er is meer dat het ideaaltypische uitgangspunt over representatieve democratie doet wankelen. De kloof tussen burger en politiek is geen imaginair construct. Het is een geleefde realiteit in achterstandswijken en bij uitbreiding in allerlei woongebieden in Vlaanderen. Dat vervreemding tot meer aversie ten aanzien van politiek leidt, of tot populisme omdat er geen politiek verhaal over een inclusieve maatschappij is, hoeft weinig betoog.

De kloof tussen burger en politiek is geen imaginair construct. Het is een geleefde realiteit.

Dat wantrouwen in de politiek uit zich ook in cijfers. De Vlaamse regering overtuigde in 2017 nog 4 op de 10 Vlamingen. In de federale regering, de koning en Europa hebben nauwelijks 3 op de 10 Vlamingen nog vertrouwen. In de bankensector of politici hebben minder dan 2 op de 10 Vlamingen nog vertrouwen. De cijfers van niet stemmers zijn torenhoog. Bijna 1 op 10 burgers gaat niet stemmen. Vooral in de grootsteden ligt het aantal niet-stemmers enorm hoog. In Brussel gaan die cijfers zelfs tot vijftig procent. Kortom, wie representeert de representatieve democratie nog?

Waar de representatieve democratie steeds meer vervreemding oproept, nemen burgers toenemend het heft in handen nemen, om mee hun stad en leefomgeving vorm te geven. De burgerbewegingen en actiecomités beginnen de rol van de politiek over te nemen, omdat zij wel mensen die vervreemd zijn van partijpolitiek, kunnen overtuigen om zich te engageren voor hun stad of dorp.

Doen alsof de representatieve democratie de regel is en burgerparticipatie hooguit nodig is voor wat draagvlak of als beleidsfrivoliteit, is de kop in het zand steken over ‘de staat van de representatieve democratie’ zélf. Participatie die ertoe doet, wat meestal die participatie is die wordt afgedwongen in dossiers waar tegenspraak broodnodig is en niet top-down als gunst wordt gegeven, is essentieel om de systeemfouten van de representatieve democratie te corrigeren.

Doen alsof de representatieve democratie de regel is en burgerparticipatie hooguit nodig is voor wat draagvlak of als beleidsfrivoliteit, is de kop in het zand steken over ‘de staat van de representatieve democratie’ zélf.

Het is dan ook niet vreemd dat participatie van middenvelders, burgers en de brede civiele samenleving in verschillende instituties erkend wordt als een afgedwongen recht die de democratie verrijkt en de eenzijdige machtsblik op representatieve democratie terug openbreekt: van op VN niveau tot in het kinderrechtenverdrag, allerlei dossiers in de ruimtelijke ordening en zelf volksvergaderingen om de grondwet te herschrijven.

Waar men wat afstand neemt van de macht, wordt de zoektocht naar participatieve democratie om de macht te corrigeren als normaal ervaren. Bij N-VA kiest men er echter voor om de blinde hoek van de representatieve democratie te verdedigen, ondanks de schade aan de democratie die over meer gaat dan brute macht om de wet en de krijtlijnen van wat kan, mag en moet te bepalen.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.


Gedroomd Leven

Toon Hermans


‘Ik ben een mens,
ik ben een wegwerpaansteker
in het donkere heelal.’

Chen Li (1954), dichter uit Taiwan

Geloven & beminnen

‘L’esprit croit naturellement, et la volonté aime naturellement: de sorte que faute de vrais objets il faut qu’ils s’attachent aux faux’


‘Van nature gelooft het verstand en bemint de wil, zodat men zich bij gebrek aan juiste objekten aan verkeerde hecht.’

Over de eindigheid van het vakjesdenken: een varken is geen sprinkhaan, en de ene godsdienst is gewoon de andere niet. — Visionair België

Senator Sabine de Bethune (CD&V) en senaatsvoorzitter Christine Defraigne (MR) willen de grondwet wijzigen zodat dieren voortaan als “wezens met gevoelens” worden omschreven. Daardoor zullen andere grondrechten, zoals godsdienstvrijheid, altijd rekening moeten houden met dierenrechten. Dat worden dan overuren voor het Grondwettelijk Hof en de Raad van State, want als godsdienstvrijheid én dierenrechten beide in de grondwet zijn ingeschreven, hoe gaat men dan bijvoorbeeld het door moslims en joden geëiste onverdoofd slachten evalueren?
Naar mijn gevoel lijden beide (goedbedoelde) principes aan een groteske veralgemeningsdrift die weliswaar eigen is aan juristen, maar die men als “wereldvreemd” kan beschouwen, in de filosofische zin van abstract.
Ik begin met de dierenrechten, waarbij iedereen denkt aan de behandeling van de varkens in de slachterij van Tielt en het choquerende undercoverfilmpje daarover. Maar het dierenrijk is groot, zeer groot, en omvat ook vlooien, bladluizen en de ééncellige snoodaards die mijn zoon vijf weken in het ziekenhuis hebben gehouden wegens botinfectie. Het klinkt belachelijk om hen “dierenrechten” toe te kennen, maar vanuit het natuurlijk, niet-antropocentrisch standpunt hebben ze evenveel recht op leven en behoren ze evenzeer tot de kosmische ordening als een varken, hamster, uw schoothond of maitresse.
Het Boeddhisme is daarin radicaal: je doodt geen levend wezen, maar dat levert onvermijdelijk dilemma’s op. Hadden ze geen zware antibioticakuur op die bacterieën afgevuurd, mijn zoon had er kunnen aan bezwijken. Een leven redden door er miljoenen te doden dus. Worden er geen bestrijdingsmiddelen gebruikt in de landbouw, dan overleven alle sprinkhanen, joepie, maar gaan er massa’s mensen dood aan ondervoeding. Tot op vandaag zijn ze er niet uit, de Boeddhisten: het leven zit vol dilemma’s, het grote mededogen is onvermijdelijk selectief.

Het scheermes van Ockham

Over naar de godsdienstvrijheid dan, dat andere grondrecht. Boeddhisten, pastafaristen, en andere vredelievende religieën, welja, waarom zouden we hen niet laten betijen en broederlijk/zusterlijk laten coëxisteren. Maar met de islam hebben we een probleem: het is een religie die alle andere uitsluit en daar ook een gewelddadige ideologie aan verbindt. Vergelijk ik nu moslims met sprinkhanen? Neen, u hebt dat spontaan gedacht. En waarom? Omdat het woord “godsdienst” blijkbaar zo breed is, dat het praktijken dekt waar wij letterlijk niet mee kunnen leven. Ergo: het woord godsdienst zelf deugt niet, en a fortiori ook niet het woord godsdienstvrijheid.
Maar ons gevoel dat de ene godsdienst de andere niet is, stoot op de abstractie die de taal zelf maakt, waardoor boeddhisme, pastafarisme, christendom, jodendom en islam formeel allemaal tot dezelfde categorie behoren. Bedot de mens daarmee zichzelf? Het lijkt erop. Het wetenschappelijk-logisch denken heeft ons ver gebracht, in de wiskunde kunnen wij zeggen dat elke vlakke figuur met drie zijden en drie hoeken een driehoek is. Maar de wereld logisch-wiskundig bekijken, lukt niet: elke definitie stoot op anomalieën, met de multicultuur als een van de flagrantste voorbeelden van misrekening. Niet elke cultuur lijkt onder die noemer te kunnen vallen.
De middeleeuwse filosoof William Van Ockham (1288 – 1347) geldt samen met zijn antieke voorganger Aristoteles en nakomer Ludwig Wittgenstein als de oplosser van dat groot misverstand: het fameuze Scheermes van Ockham maakt korte metten met abstracties (universalia) die doen alsof de wereld netjes geordend is en alles in een schuifje thuishoort. Neen dus, woorden proberen dingen te ordenen, maar die dingen trekken zich daar niks van aan. Na zeven honderd jaar moeten we die illusie eindelijk laten varen. Het ordenend denken heeft lang gewerkt, maar nu keert het zich tegen ons en moeten we het afgooien als een oude huid.
Dat heeft verstrekkende gevolgen, want de wetenschap, de cultuur, de technologie, de politiek, het recht, de sociale orde, de moraal,- ze zijn allemaal gebaseerd op veralgemeningen en grootste gemene delers. Waardoor Wim Delvoye en Mozart beide in het vak “kunst” terecht komen, een lintworm en een varken in het vak “dier”, Vermeersch en Sanctorum in het vak “filosoof”, terwijl de verschillen veel groter zijn dan de gelijkenissen.

Zoek de mens

De planetaire crisis waar we nog maar pas zijn binnengestrompeld, is meteen ook een cognitieve en taalkundige crisis, die heel ons waarnemingsmodel, denkvermogen en taal overhoop haalt, de manier hoe we de wereld zien en bevatten dus.
De wereld van de clichés en de stramienen loopt op zijn laatste benen, maak kennis met het radicale postmodernisme. Waarom bijvoorbeeld homo’s zich nog als homo’s willen outen, is mij een raadsel. Groepsattitudes verlengen enkel het categorisch misverstand en lokken het geweld uit van tegengroepen.
Tenslotte heeft ook het woord/begrip “mens” zijn houdbaarheidsdatum bereikt, vandaar de nieuwe discussie over de mensenrechten, bijvoorbeeld over het procedurerecht en het absurde feit dat drugdealers fluitend het gerechtshof buiten wandelen “omdat de wet nu eenmaal voor iedereen geldt”. Niet dus. Er is een verschil, een maffiabaas valt niet gelijk te stellen met een man die een brood steelt zegt het gezond verstand, we voelen het aan ons water, ook al maken de juristen en denktechnocraten ons wijs dat schuifjes en vakjes wél werken.
Diogenes zocht al naar dé mens en vond er geen: ze zijn allemaal zo verschillend dat er geen etiket op te plakken valt. Het beste bewijs zijn de (a-)sociale media: er zijn geen mensen, enkel individuen, en dan nog. Dus ook die mensenrechten: laat maar zo. Het is goed dat we dat inzien, het kan ons alleen maar slimmer maken, want abstract denken en overal etiketten op plakken zie ik als een subtiele vorm van domheid.
Dat betekent natuurlijk ook dat de ene moslim de andere niet is, en het ene varken het andere niet, we moeten consequent zijn. Alles is enkel, en alleen op die manier ontsnappen we aan de totale uitroeiing. En nu ga ik me scheren, verbeter de wereld, begin bij uzelf.

via Over de eindigheid van het vakjesdenken: een varken is geen sprinkhaan, en de ene godsdienst is gewoon de andere niet. — Visionair België

Willekeurige Warhoop

Een willekeurige warhoop is de mooiste wereldorde


Caminante no hay caminos, se hace camino al andar

Caminante no hay caminos

Antonio Machado

Er moeten mensen zijn

Er moeten mensen zijn die zonnen aansteken
Voordat de wereld verregend
Mensen die zomervliegers oplaten
Als ’t ijzig wintert
En die confetti strooien tussen de sneeuwvlokken
Die mensen moeten er zijn

Er moeten mensen zijn die aan de uitgang van ’t kerkhof ijsjes verkopen
En op de puinhopen mondharmonica spelen
Er moeten mensen zijn die op een stoel gaan staan
Om sterren op te hangen in de mist
Die lente maken van gevallen bladeren
En van gevallen schaduw licht

Er moeten mensen zijn die ons verwarmen
En die in een wolkeloze hemel
Toch in de wolken zijn
Zo hoog
Ze springen touwtje langs de regenboog
Als iemand heeft gezegd:
Kom maar in m’n armen

Bij dat soort mensen wil ik horen:
Die op het tuinfeest in de regen dansen
Ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan

Er moeten mensen zijn die op het grijze asfalt
In grote witte letters ‘liefde’ verven
Mensen die namen kerven in een boom vol rijpe vruchten
Omdat er zoveel anderen zijn die voor de vlinders vluchten
En stenen gooien naar ’t lenteblauw
Omdat ze bang zijn voor de bloemen
En bang zijn voor ik hou van jou

Ja, er moeten mensen zijn met tranen als zilveren kralen
Die stralen in het donker
En de morgen groeten
Als het daglicht binnenkomt op kousenvoeten

Weet je, er moeten mensen zijn die bellen blazen
En weten van geen tijd
Die zich kinderlijk verbazen
Over iets wat barst van mooiigheid

Ze roepen van de daken dat er liefde is en wonder
Als al die anderen schreeuwen: alles heeft geen zin
Dan blijven zij roepen: nee, de wereld gaat niet onder
En zij zien in ieder einde weer een nieuw begin

Zij zijn een beetje clown
Eerst het hart en dan het verstand
En ze schrijven met hun paraplu ‘i love you’ in het zand
Omdat ze zo gigantisch in het leven opgaan
En vallen en vallen en vallen en opstaan

Bij dat soort mensen wil ik horen:
Die op het tuinfeest in de regen blijven dansen
Ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan
De muziek gaat door
De muziek

Toon Hermans

Read more:


“Yukon, la quête sauvage” ou la recherche passionnée des origines de l’Humanité’

Need for the ideal

“The human soul has a still greater need of the ideal than the real. It is by the real that we exist; it is by the ideal that we live.” 

Victor Hugo

Let your life speak

“The life I am living is not the same as the life that wants to live in me.”

If the self seeks not pathology but wholeness, as I believe it does, then the willful pursuit of vocation is an act of violence toward ourselves — violence in the name of a vision that, however lofty, is forced on the self from without rather than grown from within. True self, when violated, will always resist us, sometimes at great cost, holding our lives in check until we honor its truth. Vocation does not come from willfulness. It comes from listening. I must listen to my life and try to understand what it is truly about — quite apart from what I would like it to be about — or my life will never represent anything real in the world, no matter how earnest my intentions.”

That concept of vocation is rooted in a deep distrust of selfhood, in the belief that the sinful self will always be “self-ish” unless corrected by external forces of virtue. It is a notion that made me feel inadequate to the task of living my own life, creating guilt about the distance between who I was and who I was supposed to be, leaving me exhausted as I labored to close the gap. 

Today I understand vocation quite differently — not as a goal to be achieved but as a gift to be received. Discovering vocation does not mean scrambling toward some prize just beyond my reach but accepting the treasure of true self I already possess. Vocation does not come from a voice “out there” calling me to become something I am not. It comes from a voice “in here” calling me to be the person I was born to be.”

Parker Palmer

No man is an island

“No man is an island, entire of itself;
Every man is a piece of the continent, a part of the main…
Any man’s death diminishes me, because I am involved in mankind;
And therefore never send to know for whom the bell tolls; It tolls for thee.” John Donne

Arendt on relationship

‘The world lies between people, and this in-between … is today the object of the greatest concern and the most obvious upheaval in almost all the countries of the globe.’

‘The world is not humane just because it is made by human beings, and it does not become humane just because the human voice sounds in it, but only when it has become the object of discourse. However much we are affected by the things of the world, however deeply they may stir and stimulate us, they become human for us only when we can discuss them with our fellows… We humanize what is going on in the world and in ourselves only by speaking of it, and in the course of speaking of it we learn to be human.’

Hannah Arendt


Truth and meaning

“No matter how large the tissue of falsehood that an experienced liar has to offer, it will never be large enough … to cover the immensity of factuality.”

Quote by Hannah Arendt

From her treatise on defactualization in politics

Source: In Search for a Better Worl: Karl Popper on Truth vs. Certainty and the Dangers of Relativism

Uit het discours gegrepen

Uit het discours gegrepen 24-1-27, Doe normaal –

Filosofen hebben een grote gevoeligheid voor het woordje “normaal”. Zij weten immers dat het geenszins evident is om te identificeren wat normaal is. Normaliteit is geen toestand, het is een waarde-oordeel. In de filosofie is er een zekere traditie die precies bepaalde vormen van normaliteit apart plaatst van anderen om ze als illegitiem te identificeren. Het heeft bijvoorbeeld millennia geduurd vooraleer een bepaalde kritiek op de normaliteit van slavernij haar effectiviteit kon bereiken. Kritiek uitoefenen op de normaliteit van bepaalde omgangspraktijken is het moeilijkste, ondankbaarste en toch meest noodzakelijke aspect van een filosofische levenshouding. Mensen houden er immers niet van als filosofen in vraag stellen wat zij als een evidente norm beschouwen: kritische filosofie breekt plots in de huiskamer binnen om de meest kostbare fetisjen kapot te slaan die jarenlang onaangeroerd op de haard hebben gestaan. Het is een precaire aangelegenheid. Tot een omgangspraktijk een omkeer kent, is de kritische stem immers de paria, en wanneer de ommekeer intreedt, is de kritische stem plotsklaps overbodig, meer zelfs dan wordt die stem enerverend.

Bovendien dreigt altijd het gevaar dat je kritische houding zich omzet naar een tegendraadse houding. Dan transformeert de filosoof naar een contrair persoon die altijd in eender welke discussie een andere norm hanteert dan de rest. Tussen kritiek en tegendraadsheid ligt een dunne grens. Filosofische helden of mislukte ambetanteriken, het onderscheid wordt pas achteraf gemaakt. De filosofische levenshouding aannemen impliceert dat je iets opgeeft, namelijk je vermogen in de normaliteit van omgangspraktijken op te gaan. Daarmee neem je een zeker risico: mensen verwachten bij jou altijd de mogelijkheid van een kritische ingreep die de omgang bemoeilijkt, ze spreken je anders aan, of mijden je zo veel als mogelijk. En toch levert het zoveel meerwaarde om af en toe dat risico te nemen en de filosofische levenshouding uit te oefenen (en iedereen kan dit). Dat risico zorgt er immers voor dat onrecht, pijn en naïviteit de wereld uitgewerkt worden.

Parzival, Puer Aeternus, and Healing the Waste Land

Integrating Conscious and Unconscious

© 2008 by Joseph Good

Parzival by Feirefiz

In a lecture given at Pacifica Graduate Institute, Dr. Glen Slater, a Jungian scholar and professor, diagrammed the formation of the ego within the theoretical context of Jungian psychology. 

He suggests that the individual ego is formed as a product of the collision of influences of culture with impulses of instinct. Dr. Slater, following C.G. Jung, says the human child is born as a mass of instinctual impulses, consciousness without ego. As the child grows, the demands and requirements of the world, the cultured world, assert themselves, often in direct conflict with the energies of that primal instinctive base. The tension between the instincts of the unconscious and the behavioral expectations of culture create a complex around the Self archetype which becomes the ego

The consequences of this inevitable conflict are both positive and negative, both to the developing human being and the wider community

In Wolfram von Eschenbach’s Parzival we can observe, through the metaphor of the Grail Quest, the implications for the individual and the world when the conscious, rational, cultured mind overrides the instinctive bases of human existence.

When we first meet Parzival he is the embodiment of the pre-ego state of psyche-nature described by Slater. Parzival lives with his mother in distant woods, unencumbered by civilized culture. “He washed himself in the meadow on the river-bank each morning. He had no care in the world save the singing of the birds overhead” (Parzival 71). Parzival, thanks to the loving protection of his mother, is in this state of a-culturality, free to behave and move as his own nature manifests. 

As Edward Edinger states in Ego and Archetype, “In the paradise age, the people are still in union with the gods. This represents the state of the ego that is as yet unborn, not yet separated from the womb of the unconscious and hence still partaking of the divine fullness and totality” (8). Wolfram does not keep Parzival in this state for long.

Parzival Departs

Early in the story Parzival leaves his mother to pursue his newfound desire to become a knight. The model of pre-cultural consciousness (and perhaps bliss) now begins his encounter with the world beyond the idyllic one dominated by his mother and nature.

When this pre-egoic consciousness begins to interact with the culture that contextualizes it, the formation of the ego begins. Typically, this is the slow process of an infant coming to understand acceptable and unacceptable behaviors and forthwith orient its consciousness to those demands. As the ego forms in this way, there also manifests the conflict between the demands of the culture with the desire-impulses of the growing infant. Wolfram gives us this process in a condensed version with a much older subject in Parzival. It is in Parzival’s first meeting with Gurnemanz that we see in dialog form the interaction of non-ego consciousness and culture; “Keep to my advice, it will save you from wrong-doing” (Parzival 95). Gurnemanz delivers the following well-intentioned advice;

never lose your sense of shame […] be rich and poor with discretion […] give moderation its due […] do not ask many questions […] temper daring with mercy […] wash your face and hands [after battle] […] man and woman are all one. (95—96)

Gurnemanz is serving as the culture-transmitting agent which will supplant, in part, the raw, unconscious impulses of Parzival; “Now have done with unformed ways!” (96). Eventually, a critical portion of this advice will conspire with Parzival’s desire and directly result in his failure at the Grail Castle.

Parsival by Herman Hendrich

Having received Gurnemanz’s advice and taken it seriously, commensurate with his own desire to become a knight, Parzival arrives at the Grail Castle. The dazzling procession of the Grail gave context to the moment at which Parzival had his first opportunity to heal the grail king. The impulse was there. He thought about asking The Question — and hesitated. When his conscious thought about asking the question superseded his impulse to ask it, he failed. He simply recalled the advice Gurnemanz had given him; “Gurnemanz advised me with perfect sincerity against asking many questions” (127). With this recollection, accompanied by the awkward pause of anticipation among the grail host, punctuated by the realization that the question was not forthcoming. Parzival was completely ignorant of the profound implications of this moment, as most of us are each time we’re presented with the opportunity to ask. And, as with so many calamities, the effects are far enough removed from their causes that no connection can be drawn between them, no relationship noticed or deduced. So, here too, Parzival leaves the Grail Castle absolutely unaware that he has become the instrument of ill fate.

In the moment of the suppression of the unconscious, the psyche becomes divided, the unconscious no longer informs conscious thought or action, and the unconscious is disassociated from the conscious. 

Joseph Campbell describes the modern state of the human psyche this way and it is also relevant to the condition which Parzival represents; “The lines of communication between the conscious and the unconscious zones of the human psyche have all been cut, and we have been split in two” (Hero 388). And Carl Jung suggests;

Normally the unconscious collaborates with the conscious without friction […] but when an individual […] deviates too far from their instinctual foundations, they then experience the full impact of unconscious forces. (Essential Jung 219)

One such unconscious force comes in the form of Sigune who lambastes Parzival for his failure the instant she discovers who he is and what he’s done. Another aggressive criticism of his failure comes from the sorceress Cundrie, who redresses him in the company of Arthur’s court and shames him openly and deeply. The woe and despair of Parzival at the realization of his failure drive him into the wilderness for five years. The wilderness is that zone of the psyche which is primarily unconscious. It is untamed and generally unknown, lurking with darkness and danger. This is the time of the reunification of the psyche. The unconscious has asserted its force and the conscious mind will now reorient itself to operate in collaboration with its unconscious counterpart.

The return of the unconscious aspect of the psyche is evident in Parzival’s seemingly naïve commitment to return to the Grail Castle in order to “right his wrong.” We are told by Sigune, however, immediately after Parzival’s initial failure, “[w]hen someone is meant to see the castle it must come to pass unwittingly” (132). This is to say; when one comes upon the Grail Castle it will not be the result of a conscious search for it. Therefore, one cannot intend to find the castle. Yet, this is exactly what Parzival does; he ignores the reported futility of an intentional quest for the Grail Castle, an act which requires a juvenile rebelliousness. This is the reassertion of the puer aspect, the pre-egoic instinctive drive, of Parzival that was preempted at the meeting with Gurnemanz and now reintegrates itself with Parzival’s conscious processes.

Within the context of the structures and dynamics of the psyche as outlined by C.G. Jung, this event can be seen as a result of the unification of the once disparate elements of the psyche. In this way we can describe the nature of the grail quest today; to reunite the divided aspects of the psyche, the quest for wholeness. In the case of Parzival it involves the rediscovery and integration of the primary, unconscious aspect which is characterized by the puer, infancy or youth.

Here, puer aeternus refers to that childlike, pre-cultural aspect of the psyche, the deep centers of instinct, not the pathological reluctance to surrender youth, as described by Marie-Louise Von Franz in The Problem of the Puer Aeternus. Rather, as the state of connection with the instinctual base of human life.

The “child within” becomes a critical agent for the health of human kind, the absolute necessary element of healthy and whole human existence.

As necessary as the development of the ego is for a healthy and functioning human adult, it can also become the adult’s, and indeed the world’s, most obstinate obstacle.

Parzival and the Red Knight

Echoes of the recognition of the pre-ego state, of infancy or youth, containing the essential connection to vitality; the suggestion that ego-consciousness and intentionality are errant ways of thinking of solutions to problems created by those very modes of thought, are found in the wider ranging philosophies of the far East to which T.S. Eliot gives a significant gesture at the end of The Waste Land

Eliot’s idea of revivifying the waste-land comes directly from the Hindu tradition, from the Brihadaranyaka Upanishad, when he suggests the “da” solution; damyatadatta, and dayadhvam — self-control, giving, and compassion. Also, from the tradition of Confucius, from The Book of Mencius, “[t]he great man is he who does not lose his child’s-heart” (IV 2.12). 

Another contemporary, Joseph Campbell, remarks directly of Parzival, “[h]e is to be a sort of puer aeternus, virtuous and fearless, whose nature itself will be the key to the undoing of a spell that no intentional program of courage or virtue could dissolve” (Creative Myth 136).

The modern emphasis on the conscious aspect of the psyche, the ego specifically, can be observed in our methods of problem solving. Science is our method, logic the guide. Technology, as the instrument of science, is the preferred tool for correcting problems of human existence. For example, in order to eradicate disease we create medicines, in order to make more food than the land will yield in its natural course we manufacture synthetic foods, in order to live in places the human being is not capable of living without assistance we build enclosures within which we regulate the climate. All of these “solutions,” however, present new problems. Cures for diseases create resistant strains of bacteria, synthetic foods necessarily lack qualities which can sustain healthy living so sickness escalates; our environmental controls consume massive amounts of energy which generates pollutants enough to threaten the ecological balance of the entire planet. 

What is our solution to these new problems? We apply more technology, more of the original cause. The cycle seems to have a momentum of its own at this point in history. 

We, by way of our devotion to the rational, scientific consciousness and mode of thought create a literal wasteland for ourselves which serves as a reflection of the inner wasteland, the more dangerous to be sure. 

Again, our causes lack the awareness of their effects and so we continue smoking, oblivious of the connection to our cancer. When the conscious mind operates in rejection of the unconscious the Wasteland is the result.

This “Parzivalian puer” is the one of the middle ground. It is the puer integrated with the senex to become a being who wields the wisdom of both worlds. The creative, unmanaged, wanton world of the unconscious integrated with the structured, ordered, calculated world of the conscious without the disastrous emphasis of one over the other.

Parzival is the model for our time as much as he was for Wolfram’s time, though perhaps for slightly different reasons. We, too, have failed in our first (nth?) visit to the grail castle and the king’s wound remains open and festering. 

A return to our own instinctive base, the impulses of the child of possibility, is the domain and source of our salvation. Polarities no longer serve, if they ever did, and our task is to surrender our ego-conscious emphasis in order to survive. We face no greater threat to ourselves than ourselves. 

However the solution may look in the end, it will not be a premeditated, structured, carefully implemented and thoroughly calculated process. It will be spontaneous, unforeseen in its particulars, and broad in its inspiration.

Even the impulse to make this point more clearly, an impulse that is, itself, a product of the western, rational-scientific psyche, to render a comprehensible, cogent, and concise, methodical solution is precisely what is to be recognized as untenable. Or, at least, a solution that is all of those things is destined to fail because the solution cannot be solely of the ego-conscious mind. It won’t be one that can be predicted or ordered. It is of the same nature as myth. 

Indeed, it may be a new myth that is required to heal the modern waste land and achieve the collaboration of the two disparate aspects of the psyche

As Joseph Campbell states in The Hero with a Thousand Faces, “[…] the symbols of mythology are not manufactured; they cannot be ordered, invented, or permanently suppressed. They are spontaneous productions of the psyche […]” (4).

The “solution” to the problem of the wasteland will resemble the nature of those mythological symbols in their unpredictability and spontaneity. Beyond that we can only imagine the possibilities.

Works Cited

  • Campbell, Joseph. The Hero with a Thousand Faces. Princeton: Princeton UP,1973.
  • Campbell, Joseph. The Masks of God: Creative Mythology. New York: Penguin Books, 1991.
  • Edinger, Edward P. Ego and Archetype. Boston: Shambhala, 1992.
  • Eliot, T.S. The Waste Land. Ed. Michael North. New York: W. W. Norton and Company, Inc., 2001.
  • Jung, Carl Gustav. The Essential Jung. Ed. Anthony Storr. Princeton: Princeton UP, 1983.
  • Legge, James, trans. The Works of Mencius. 2nd ed. Oxford: Clarendon Press, 1895.
  • Slater, Glen. “The Ego-Self Relationship”. Pacifica Graduate Institute. Carpinteria, California. 28 June. 2006.
  • Von Eschenbach, Wolfram. Parzival. Trans. A.T. Hatto. Middlesex, England: Penguin Classics, 1980.

Joseph Good is a member of the Mythic Imagination Institute’s Leadership Team and he currently attends Pacifica Graduate Institute.

%d bloggers liken dit: