Gedicht ‘Hebben en Zijn’

Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.

uit het werk van Ed Hoornik (1910-1970)


Gedroomd leven


Het zelfhelend vermogen van de samenleving

Zelfhelend

Zomerreeks – Hoop 2019

  • MARK VAN DE VOORDE – Onafhankelijk publicist en columnist, gewezen speechschrijver van Herman Van Rompuy

Verzet is geen deugd van de meerderheid. Voor verzet is de moed van de tegendraadsheid nodig. Moedig is de massa niet, de massa is gedwee. Tegendraads moedig en moedig tegendraads zijn enkel enkelingen. In de slipstream van hun woorden van verzet volgen minderheden met daden van protest.
Protest is de macht der machtelozen. Maar wanneer machtelozen door te protesteren macht tonen, kan het verdrongen protest en het vergeten verzet van de massa worden gewekt. Minderheden schrijven op die wijze geschiedenis. Dat verandert de samenleving.
Wanneer? Dat weten we niet. Vooral in tijden als de onze, waarin verdelende extremen het bemiddelende midden opslokken en de tegenstellingen opjuinen in plaats van overbruggen. Vooral in tijden als de onze, waarin de behoefte aan veiligheid de waarde van vrijheid geringschat, vijandbeelden het portret van broederlijkheid overschilderen, kloven tussen arm en rijk de gelijkheid doen vergeten.
Er is dus meer dan moed nodig om het vol te houden. Er is hoop nodig. ‘Ik probeer hoop te houden, want zonder hoop ben ik niet in staat om de wereld te veranderen’, zegt de Amerikaans-Duitse filosofe Susan Neiman (De Groene Amsterdammer, 4/7/2019).
Om te hopen moet je dromen koesteren: I have a dream, Yes we can, Wir schaffen das.Naïef, flauw, flets, lullig…, zegt de cynicus. Is dat zo? Als in de samenleving dromen verdwijnen, verschijnen nachtmerries. Nachtmerries wekken geen hoop op maar angst. Dromen wekken hoop op.

Angst en hoop zijn niet toevallig dé twee emoties die mensen politiek kunnen mobiliseren. Het zijn de emoties die ons doen opstaan: hoop om de hand aan de ploeg te slaan, angst om op de vlucht te slaan.
Vandaag is in onze samenleving angst de mobiliserende kracht, maar angst is destructief. Angst wekt haat op en zint op wraak. Angst mobiliseert, maar verbindt niet. Angst is ook niet toekomstgericht, hij verbeeldt zich een verleden. Je kunt niet achterwaarts dromen van de toekomst, allerminst als dat verleden een mythe is.
Hoop moet de angst verdrijven, angst verdrijft nooit zichzelf. Daarom is hoop mijn plicht. Ik bewaar, koester en voedt dus mijn dromen van een samenleving waarin mensen elkaar sterken in plaats van jennen, van een politiek waarvan het motto niet verdeel-en-heers maar verdeel-en-geef is, van een economie die erop is gericht ‘dat allen deel zouden hebben aan het succes’ (motto van Ludwig Erhard, vader van ons Rijnlandse model dat volgens neoliberale economen en ook sommige werkgeversorganisaties op de schop moet).

De tijdgeest is niet mee, maar tijdgeesten zijn draaiende winden. Dat is mijn eerste reden om te hopen. Bovendien, een tijdgeest van angst is een hevige windstoot. Rukwinden duren niet. Angst is een emotie die een samenleving – net als een mens – niet lang vol kan houden zonder ziek te worden. Angst is niet alleen destructief, hij is ook zelfvernietigend.

Mijn tweede reden om de hoop op te houden is dat de samenleving zelfhelend is. Of om het te zeggen met de woorden die op het Tweede Vaticaans Concilie werden neergeschreven, ‘ligt het lot van de mensheid in handen van hen die erin slagen om de komende generaties motieven te geven om te leven en te hopen’ (Gaudium et Spes). Ik geloof rotsvast in het zelfherstel van de samenleving.
Ik heb altijd geloofd in het vermogen van de samenleving om wat scheef was gegroeid, weer recht te trekken. Zolang een beschaving niet stervende is, bezit ze een zelfgenezende kracht. De zelfgenezende kracht van de samenleving is het spirituele immuunsysteem van haar culturele wortels.
Ik zie het ook gebeuren. Europa recht zijn rug, weliswaar met de nodige strubbelingen. De Europese verdeeldheid maakt stilaan plaats voor een nieuwe dynamiek van Europees zelfbewustzijn en Europese integratie. Populisten die de nadruk legden op de verschillen, ondergingen bij de Europese verkiezingen hun eerste tegenslagen.
In Tsjechië groeit het protest tegen de corrupte premier Babis. In Polen slinkt de populariteit van de illiberale PiS-partij. Onrecht blijft nooit duren. En verder: in Turkije dolf Erdogan het onderspit bij de nieuwe verkiezing voor Istanbul; in Hongkong boog chief executive en Beijings handpop Carie Lam voor het protest.

Mijn derde reden om de hoop niet op te geven is de vaststelling dat in onze samenleving de schaamte over het eigen (wan)gedrag niet is verdwenen. Dat is belangrijk, want schaamte is de eerste stap naar moreel handelen. Het is ook de schaamte die ons tot fatsoenlijke mensen maakt.
Hoe paradoxaal ook, de ‘getuigenissen’ van mensen die bij de jongste verkiezingen voor Vlaams Belang stemden, zijn illustratief. Op de vraag waarom begon elk antwoord met: ‘Ik ben geen racist, maar…’ Ook elke sneer naar vreemdelingen begint daarmee. In wezen excuseert men zich voor zijn gedrag. Gedrag is immers een kwestie van herkenning: ‘Wij zijn niet zo!’ Mensen weten dus wat hoort en niet hoort. Waar het nu op aankomt, is dat we hen mee kunnen nemen in de opstand van de fatsoenlijken.

Mijn vierde en laatste redenom te blijven hopen: ik ben katholiek (wat betekent: de wereld omvattend en allen liefhebbend). Als christen heb ik de spirituele aanleg tot hopen, ik moet ‘verantwoording afleggen van de hoop die in ons is’ (1Petrus 3, 15).

Deze bijdrage verscheen in de SamPol-zomerreeks Hoop 2019


MESSAGE FROM A BEAR

In late 1994, Paul Shepard gave a talk, “The Origin of the Metaphor: The Animal Connection,” as part of the “Writings on the Imagination” lecture series at the Museum of Natural History in NYC. (Full text included in The Others, Island Press/Shearwater Books, pages 331-333.) He ended his remarks with “a letter delivered to me by a bear,” addressed to humanity from the Others, the animals. These words were among the last spoken on a public occasion before his death from cancer in 1996.

A MESSAGE FROM THE OTHERS

From: The Forest, The Sea, The Desert, The Prairie

Dear Primate P. Shepard and Interested Parties:

We nurtured the humans from a time before they were in the present form. When we first drew around them they were, like all animals, secure in a modest niche. Their evident peculiarities were clearly higher primate in their obsession, social status, and personal identity. In that respect they had grown smart, subtle, and devious, committed to a syndrome of tumultuous, aseasonal, erotic, hierarchic power.

Like their nearest kin, they had elevated a certain kind of attention to a remarkable acuity which made them caring, protective, mean, and nasty in the peculiar combination of squinched facial feature and general pettiness of monkeys.

In ancient savannas we slowly teased them out of their chauvinism. In our plumage we gave them aesthetics. In our courtships we tutored them in dance. In the gestures of antlered heads we showed them ceremony and the power of the mask. In our running hooves we revealed the secret of grain. As meat we courted them from within.

As foragers, their glance shifted a little from corms and rootlets, from the incessant bickering and scuffling of their inherited social introversion. They began looking at the horizon, where some of us were both danger and greater substance.

At first it was just a nudge–food stolen from the residue of lion kills, contended for with jackals and vultures, the search for hidden newborn gazelles, slow turtles, and eggs. We gradually became for them objects of thought, of remembering, telling, planning, and puzzling us out as the mystery of energy itself.

We tutored them from the outside. Dancing us, they began to see in us performances of their ideas and feelings. We became the concreteness of their own secret selves. We ate them and were eaten by them and so taught them the first metaphor of their frantic sociality: the outerness of themselves, and ourselves as their inwardness.

As a bequest of protein we broke the incessant round of herbivorous munching, giving them leisure. This made possible the lithe repose of apprentice predation and a new meaning for rumination, freeing them from the drudgery of browsing and the grip of relentless interpersonal strife. Bringing them into omnivorousness, we transformed them forever and they entered the game as a different player.

Not that they abandoned their appetite for greens and fruits, but enlarged it to seeds and meat, and to the risky landscapes of the mind. The savanna or tundra was essential to this tutorial, as a spaciousness open to infinite strategies of pursuit and escape, stretching the senses to their most distant reference. Their thought was invited to a new kind of executorship, incorporating remembrance and planning, to parallels between themselves and the Others and to words-our names-that enabled them to share images and ideas.

Having been committed in this way, first as food and then as the imagery of a great variety of events and processes, from signs in dreams to symbols in metaphysics, we have accompanied humans ever since. Having made them human, we continue to do so individually, and now serve more and more in therapeutic ways, holding their hands, so to speak, as they kill our wildness.

As slaves we stay close. As something to “pet” and to speak to, someone to be there and need them, to be their first lesson in otherness, we have shared their homes for ten thousand years. They have made that tie a bond. From the private home we have gone out to the wounded and lonely, to those yearning for unqualified devotion–to hospitals, hospices, homes for the aged, wards of the sick, the enclaves of the handicapped and retarded, and prison.

All that is well enough, but it involves only our minimal, domesticated selves, not our wild and perfect forms. It smells of dependency.

They still do not realize that they need us, thinking that we are simply one more comfort or curiosity. We have not regained the central place in their thought or meaning at the heart of their ecology and philosophy. Too often we are merely physical reality, mindless passion and brutality, or abstract tropes and symbols.

Sometimes we have to be underhanded. We slip into their dreams, we hide in the language, disguised in allusion, we mask our philosophical role in “nature aesthetics,” we cavort to entertain. We wait in children’s books, in pretty pictures, as burlesques in cartoons, as toys, designs in the very wallpaper, as rudimentary companion or pets.

We are marginalized, trivialized. We have sunk to being objects, commodities, possessions. We remain meat and hides, but only as a due and not as sacred gifts. They have forgotten how to learn the future from us, to follow our example, to heal themselves with our tissues and organs, forgotten that just watching our wild selves can be healing. Once we were the bridges, exemplars of change, mediators with the future and the unseen.

Their own numbers leave little room for us, and in this is their great misunderstanding. They are wrong about our departure, thinking it to be a part of their progress instead of their emptying. When we have gone they will not know who they are.

Supposing themselves to be the purpose of it all, purpose will elude them. Their world will fade into an endless dusk with no whippoorwill to call the owl in the evening and no thrush to make a dawn.

–The Others

[Copyright © 1996-2018 Florence Rose Krall Shepard. All rights reserved.]


Ermitaño


Climbing to the top


La Revolution Jaune

 


De blinde hoek v.d. representatieve democratie

Pascal Debruyne | 20 februari 2018

Leestijd: 5 minuten

“We willen niet meer terug naar de jaren ’80, naar toestanden als Poupehan. Het middenveld betreurt dat het niet meer aan zet is. Wij zijn de grootste democratisch verkozen partij.” Dat is het antwoord van de N-VA in ‘Ter Zake’ bij monde van Peter Dedecker, op de kritiek van Beweging.net.

Peter Wouters, voorzitter van Beweging.net, pende vorige week een veelbesproken ‘no pasaran’ opiniebijdrage neer, waarin hij de aanvallen van staatssecretaris voor Gelijke Kansen Zuhal Demir (N-VA) op gelijkekansencentrum Unia en het Minderhedenforum aanklaagt, en het politieoptreden bij Globe Aroma in Brussel in het kader van het Kanaalplan van Minister Jan Jambon (N-VA), waar mensen zonder papieren werden aangehouden.

Volgens Vlaams Volksvertegenwoordiger Marius Meremans (N-VA) moeten bepaalde organisaties zich aan hun missie houden, de wet niet overtreden of zich houden aan de krijtlijnen bepaald door het parlement waar zij als machtigste partij de krijtlijnen bepalen.

De N-VA reproduceert daarmee voortdurend de mythe dat de representatieve democratie de hele democratie beslaat, en dat diegene met de meeste macht zich totaliserend kan opstellen in die democratie.

De N-VA reproduceert voortdurend de mythe dat de representatieve democratie de hele democratie beslaat, en dat diegene met de meeste macht zich totaliserend kan opstellen in die democratie

Macht bepaalt ‘de wet’. Het middenveld is hooguit een loyale partner in goede tijden die beleid kan uitvoeren, burgers moeten bijeenbrengen in de vrijetijd en dienstverlening kan uitbouwen zolang dat niet leidt tot dwarsliggerij. Echter, zonder dwarsliggers rijdt de trein niet in een democratie. Toch niet in een democratie waar het georganiseerd meningsverschil voorop staat.

Wie moet wie de wet leren kennen?

Dat het middenveld de wet zou overtreden is vreemd. Kan iemand dat eerst bewijzen voor men dergelijke beschuldigingen lanceert? Dit is nog altijd een rechtstaat. Zoniet, dan lijkt het dictum van Wittgenstein: “Waarover men niet spreken kan, moet men zwijgen.”, een goede leidraad. En waar overtreedt men de krijtlijnen van het parlement?

Geen enkele van deze organisaties overtrad de wet of de Europese Verklaring van de Rechten van de Mens, waar Meremans naar verwijst. Onlangs nog stelde de hoogste magistraat van ons land dat mensen zonder wettig verblijf medische hulp verlenen, voedsel, kledij of onderdak geven, nooit een misdrijf kan zijn.

Dat kan niet gezegd worden van de federale regering in haar toetsing van Artikel 3 van het EVRM bij het terugsturen van Sudanezen bijvoorbeeld. Of verwijzen we naar al die keren dat België veroordeeld werd voor het schenden van het kinderrechtenverdrag voor het opsluiten van kinderen in detentiecentra? Wetend dat er nog van die detentiecentra worden bijgebouwd in de toekomst. Wie moet wie de wet lezen?

Wiens brood men eet, diens woord men spreekt

Wie zich niet schikt naar die N-VA-wetten van middenveld, krijgt het aan de stok met N-VA die zich opwerpt als dominante politieke actor in de Vlaamse regering.

De wet waarnaar N-VA verwijt is de wet die de partij zelf fabriceert. “Wiens brood men eet, diens woord men spreekt”, is de leuze van N-VA voor het middenveld en burgerorganisaties. Wie zich niet schikt naar die N-VA-wetten voor het middenveld, krijgt het aan de stok met de partij die zich opwerpt als dominante politieke actor in de Vlaamse regering.

Dat kan door allerlei doorgedrukte fusies zoals bijvoorbeeld in de inburgerings- en integratiesector mocht ervaren, of alle welzijnssteunpunten die gedwongen moesten fusioneren in SAM VZW. Of men voert besparingen of vermarkting door zoals de CAW-daklozenopvang ‘De Vaart’ overkwam in Antwerpen en een deel van de asielopvang met contracten voor G4S Care. Als dat de middenvelders niet stilhoudt, worden ze finaal geconfronteerd met voortdurende aanvallen en verdachtmaking met mogelijke broodroof als dreigement. KifKif vzw mocht dat enkele keren meemaken.

De droom van N-VA is een middenveld dat loyaal en uitvoerend is: een verlengstuk van de overheid. Kortom, men wil een gedepolitiseerd middenveld dat geenszins een andere maatschappij mag voorstaan, laat staan die kan afdwingen via diverse machtsstrategieën. Nochtans is die gepolitiseerde blik van een kritisch middenveld wel degelijk nodig.

Particratie dominanter dan ooit

De droom van N-VA is een middenveld dat loyaal en uitvoerend is: een verlengstuk van de overheid.

De particratie is namelijk dominanter dan ooit. Politiek gaat toenemend over een autonoom ecosysteem van ‘de partij’ in stand houden in plaats van volksvertegenwoordiging. We verwijzen naar de mandatencarrousel met bijbehorende vergoedingen die de loyaliteitsband tussen mandataris en partij strak moet betonneren. De kritiek op de parlementen tot en met de gemeenteraden waar iedereen zich moet schikken naar het poppenspel van de partij, zijn legio.

Dit soort ‘democratie’ vernauwt de praktijk en visie op democratie als het georganiseerd meningsverschil over hoe de maatschappij er moet uitzien. Het is dan ook niet vreemd dat in bepaalde dossiers middenvelders en burgerorganisaties een belangrijke rol gaan spelen om de waaier van mogelijke opties terug te openen.

Een spiegel voorhouden

In de reproductie van een enge democratie waarbij macht de wet bepaalt, komt één perspectief niet aan bod. Namelijk dat van een historisch afgedwongen en noodzakelijk recht op participatie. De N-VA framing dat representatieve democratie perfect zonder kan, is historisch betwijfelbaar. Er is een prangende nood aan extra ‘checks en balances’ in de huidige representatieve democratie.

Pascal Debruyne (c) PD

Er gaapt een kloof tussen het theoretische uitgangspunt van volksvertegenwoordiging en de praktijk. Het antwoord op wie er vertegenwoordigd wordt, beantwoordt allerminst aan het ideaaltypische uitgangspunt van representatie.

Er loopt een rode draad doorheen de geschiedenis van de laatste decennia waar de banden tussen projectontwikkelaars en beleidsmakers al te geprivilegieerd zijn. Dat is niet alleen het geval in de jaren ’50 en ’60 met Charlie De Pauw en toenmalig schepen van stedenbouw Paul Vanden Boeynants, of tussen “de betonpoeper” burgemeester Placide De Paepe en projectontwikkelaars in Gent in de jaren ‘80, of tussen ‘Paars’ en Bontinck in de laatste decennia in diezelfde stad.

Diezelfde praktijken komen de laatste jaren naar boven met bouwfirma’s als ‘Land Invest’ en financiële spelers als ‘Optima’ in Antwerpen en Gent. Het is precies tegen dat soort projecten dat van onderuit protest kwam. In het fabriceren van een stad op maat van projectontwikkelaars vergat men meer dan eens het belang van de stad op mensenmaat en reële noden aan de basis van wijken.

Is er net op dat punt geen gepolitiseerd middenveld nodig, meer dan we zelf nu kennen, om een spiegel voor te houden?

Waar we als burgers en middenveldorganisaties de laatste jaren mee geconfronteerd worden, is hoe macht vaak meer macht oproept, wat meer dan eens in oligarchische politiek eindigt waarin men zich onschendbaar waant. Is er net op dat punt geen gepolitiseerd middenveld nodig, meer dan we zelf nu kennen, om een spiegel voor te houden?

Kloof tussen burger en politiek

Maar er is meer dat het ideaaltypische uitgangspunt over representatieve democratie doet wankelen. De kloof tussen burger en politiek is geen imaginair construct. Het is een geleefde realiteit in achterstandswijken en bij uitbreiding in allerlei woongebieden in Vlaanderen. Dat vervreemding tot meer aversie ten aanzien van politiek leidt, of tot populisme omdat er geen politiek verhaal over een inclusieve maatschappij is, hoeft weinig betoog.

De kloof tussen burger en politiek is geen imaginair construct. Het is een geleefde realiteit.

Dat wantrouwen in de politiek uit zich ook in cijfers. De Vlaamse regering overtuigde in 2017 nog 4 op de 10 Vlamingen. In de federale regering, de koning en Europa hebben nauwelijks 3 op de 10 Vlamingen nog vertrouwen. In de bankensector of politici hebben minder dan 2 op de 10 Vlamingen nog vertrouwen. De cijfers van niet stemmers zijn torenhoog. Bijna 1 op 10 burgers gaat niet stemmen. Vooral in de grootsteden ligt het aantal niet-stemmers enorm hoog. In Brussel gaan die cijfers zelfs tot vijftig procent. Kortom, wie representeert de representatieve democratie nog?

Waar de representatieve democratie steeds meer vervreemding oproept, nemen burgers toenemend het heft in handen nemen, om mee hun stad en leefomgeving vorm te geven. De burgerbewegingen en actiecomités beginnen de rol van de politiek over te nemen, omdat zij wel mensen die vervreemd zijn van partijpolitiek, kunnen overtuigen om zich te engageren voor hun stad of dorp.

Doen alsof de representatieve democratie de regel is en burgerparticipatie hooguit nodig is voor wat draagvlak of als beleidsfrivoliteit, is de kop in het zand steken over ‘de staat van de representatieve democratie’ zélf. Participatie die ertoe doet, wat meestal die participatie is die wordt afgedwongen in dossiers waar tegenspraak broodnodig is en niet top-down als gunst wordt gegeven, is essentieel om de systeemfouten van de representatieve democratie te corrigeren.

Doen alsof de representatieve democratie de regel is en burgerparticipatie hooguit nodig is voor wat draagvlak of als beleidsfrivoliteit, is de kop in het zand steken over ‘de staat van de representatieve democratie’ zélf.

Het is dan ook niet vreemd dat participatie van middenvelders, burgers en de brede civiele samenleving in verschillende instituties erkend wordt als een afgedwongen recht die de democratie verrijkt en de eenzijdige machtsblik op representatieve democratie terug openbreekt: van op VN niveau tot in het kinderrechtenverdrag, allerlei dossiers in de ruimtelijke ordening en zelf volksvergaderingen om de grondwet te herschrijven.

Waar men wat afstand neemt van de macht, wordt de zoektocht naar participatieve democratie om de macht te corrigeren als normaal ervaren. Bij N-VA kiest men er echter voor om de blinde hoek van de representatieve democratie te verdedigen, ondanks de schade aan de democratie die over meer gaat dan brute macht om de wet en de krijtlijnen van wat kan, mag en moet te bepalen.

  Dit is een gastbijdrage. Een Apache-lezer levert met dit stuk een bijdrage aan het maatschappelijk debat. De auteur schrijft in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.

Bron: Apache.be


Gedroomd Leven

Toon Hermans


Wegwerpaansteker

‘Ik ben een mens,
ik ben een wegwerpaansteker
in het donkere heelal.’

Chen Li (1954), dichter uit Taiwan


Geloven & beminnen

‘L’esprit croit naturellement, et la volonté aime naturellement: de sorte que faute de vrais objets il faut qu’ils s’attachent aux faux’

Pascal

‘Van nature gelooft het verstand en bemint de wil, zodat men zich bij gebrek aan juiste objekten aan verkeerde hecht.’


Over de eindigheid van het vakjesdenken: een varken is geen sprinkhaan, en de ene godsdienst is gewoon de andere niet. — Visionair België

Senator Sabine de Bethune (CD&V) en senaatsvoorzitter Christine Defraigne (MR) willen de grondwet wijzigen zodat dieren voortaan als “wezens met gevoelens” worden omschreven. Daardoor zullen andere grondrechten, zoals godsdienstvrijheid, altijd rekening moeten houden met dierenrechten. Dat worden dan overuren voor het Grondwettelijk Hof en de Raad van State, want als godsdienstvrijheid én dierenrechten beide in de grondwet zijn ingeschreven, hoe gaat men dan bijvoorbeeld het door moslims en joden geëiste onverdoofd slachten evalueren?
Naar mijn gevoel lijden beide (goedbedoelde) principes aan een groteske veralgemeningsdrift die weliswaar eigen is aan juristen, maar die men als “wereldvreemd” kan beschouwen, in de filosofische zin van abstract.
Ik begin met de dierenrechten, waarbij iedereen denkt aan de behandeling van de varkens in de slachterij van Tielt en het choquerende undercoverfilmpje daarover. Maar het dierenrijk is groot, zeer groot, en omvat ook vlooien, bladluizen en de ééncellige snoodaards die mijn zoon vijf weken in het ziekenhuis hebben gehouden wegens botinfectie. Het klinkt belachelijk om hen “dierenrechten” toe te kennen, maar vanuit het natuurlijk, niet-antropocentrisch standpunt hebben ze evenveel recht op leven en behoren ze evenzeer tot de kosmische ordening als een varken, hamster, uw schoothond of maitresse.
Het Boeddhisme is daarin radicaal: je doodt geen levend wezen, maar dat levert onvermijdelijk dilemma’s op. Hadden ze geen zware antibioticakuur op die bacterieën afgevuurd, mijn zoon had er kunnen aan bezwijken. Een leven redden door er miljoenen te doden dus. Worden er geen bestrijdingsmiddelen gebruikt in de landbouw, dan overleven alle sprinkhanen, joepie, maar gaan er massa’s mensen dood aan ondervoeding. Tot op vandaag zijn ze er niet uit, de Boeddhisten: het leven zit vol dilemma’s, het grote mededogen is onvermijdelijk selectief.

Het scheermes van Ockham

Over naar de godsdienstvrijheid dan, dat andere grondrecht. Boeddhisten, pastafaristen, en andere vredelievende religieën, welja, waarom zouden we hen niet laten betijen en broederlijk/zusterlijk laten coëxisteren. Maar met de islam hebben we een probleem: het is een religie die alle andere uitsluit en daar ook een gewelddadige ideologie aan verbindt. Vergelijk ik nu moslims met sprinkhanen? Neen, u hebt dat spontaan gedacht. En waarom? Omdat het woord “godsdienst” blijkbaar zo breed is, dat het praktijken dekt waar wij letterlijk niet mee kunnen leven. Ergo: het woord godsdienst zelf deugt niet, en a fortiori ook niet het woord godsdienstvrijheid.
Maar ons gevoel dat de ene godsdienst de andere niet is, stoot op de abstractie die de taal zelf maakt, waardoor boeddhisme, pastafarisme, christendom, jodendom en islam formeel allemaal tot dezelfde categorie behoren. Bedot de mens daarmee zichzelf? Het lijkt erop. Het wetenschappelijk-logisch denken heeft ons ver gebracht, in de wiskunde kunnen wij zeggen dat elke vlakke figuur met drie zijden en drie hoeken een driehoek is. Maar de wereld logisch-wiskundig bekijken, lukt niet: elke definitie stoot op anomalieën, met de multicultuur als een van de flagrantste voorbeelden van misrekening. Niet elke cultuur lijkt onder die noemer te kunnen vallen.
De middeleeuwse filosoof William Van Ockham (1288 – 1347) geldt samen met zijn antieke voorganger Aristoteles en nakomer Ludwig Wittgenstein als de oplosser van dat groot misverstand: het fameuze Scheermes van Ockham maakt korte metten met abstracties (universalia) die doen alsof de wereld netjes geordend is en alles in een schuifje thuishoort. Neen dus, woorden proberen dingen te ordenen, maar die dingen trekken zich daar niks van aan. Na zeven honderd jaar moeten we die illusie eindelijk laten varen. Het ordenend denken heeft lang gewerkt, maar nu keert het zich tegen ons en moeten we het afgooien als een oude huid.
Dat heeft verstrekkende gevolgen, want de wetenschap, de cultuur, de technologie, de politiek, het recht, de sociale orde, de moraal,- ze zijn allemaal gebaseerd op veralgemeningen en grootste gemene delers. Waardoor Wim Delvoye en Mozart beide in het vak “kunst” terecht komen, een lintworm en een varken in het vak “dier”, Vermeersch en Sanctorum in het vak “filosoof”, terwijl de verschillen veel groter zijn dan de gelijkenissen.

Zoek de mens

De planetaire crisis waar we nog maar pas zijn binnengestrompeld, is meteen ook een cognitieve en taalkundige crisis, die heel ons waarnemingsmodel, denkvermogen en taal overhoop haalt, de manier hoe we de wereld zien en bevatten dus.
De wereld van de clichés en de stramienen loopt op zijn laatste benen, maak kennis met het radicale postmodernisme. Waarom bijvoorbeeld homo’s zich nog als homo’s willen outen, is mij een raadsel. Groepsattitudes verlengen enkel het categorisch misverstand en lokken het geweld uit van tegengroepen.
Tenslotte heeft ook het woord/begrip “mens” zijn houdbaarheidsdatum bereikt, vandaar de nieuwe discussie over de mensenrechten, bijvoorbeeld over het procedurerecht en het absurde feit dat drugdealers fluitend het gerechtshof buiten wandelen “omdat de wet nu eenmaal voor iedereen geldt”. Niet dus. Er is een verschil, een maffiabaas valt niet gelijk te stellen met een man die een brood steelt zegt het gezond verstand, we voelen het aan ons water, ook al maken de juristen en denktechnocraten ons wijs dat schuifjes en vakjes wél werken.
Diogenes zocht al naar dé mens en vond er geen: ze zijn allemaal zo verschillend dat er geen etiket op te plakken valt. Het beste bewijs zijn de (a-)sociale media: er zijn geen mensen, enkel individuen, en dan nog. Dus ook die mensenrechten: laat maar zo. Het is goed dat we dat inzien, het kan ons alleen maar slimmer maken, want abstract denken en overal etiketten op plakken zie ik als een subtiele vorm van domheid.
Dat betekent natuurlijk ook dat de ene moslim de andere niet is, en het ene varken het andere niet, we moeten consequent zijn. Alles is enkel, en alleen op die manier ontsnappen we aan de totale uitroeiing. En nu ga ik me scheren, verbeter de wereld, begin bij uzelf.

via Over de eindigheid van het vakjesdenken: een varken is geen sprinkhaan, en de ene godsdienst is gewoon de andere niet. — Visionair België


Willekeurige Warhoop

Een willekeurige warhoop is de mooiste wereldorde

Herakleitos


Caminante no hay caminos, se hace camino al andar

Caminante no hay caminos

Antonio Machado


Er moeten mensen zijn

Er moeten mensen zijn die zonnen aansteken
Voordat de wereld verregend
Mensen die zomervliegers oplaten
Als ’t ijzig wintert
En die confetti strooien tussen de sneeuwvlokken
Die mensen moeten er zijn

Er moeten mensen zijn die aan de uitgang van ’t kerkhof ijsjes verkopen
En op de puinhopen mondharmonica spelen
Er moeten mensen zijn die op een stoel gaan staan
Om sterren op te hangen in de mist
Die lente maken van gevallen bladeren
En van gevallen schaduw licht

Er moeten mensen zijn die ons verwarmen
En die in een wolkeloze hemel
Toch in de wolken zijn
Zo hoog
Ze springen touwtje langs de regenboog
Als iemand heeft gezegd:
Kom maar in m’n armen

Bij dat soort mensen wil ik horen:
Die op het tuinfeest in de regen dansen
Ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan

Er moeten mensen zijn die op het grijze asfalt
In grote witte letters ‘liefde’ verven
Mensen die namen kerven in een boom vol rijpe vruchten
Omdat er zoveel anderen zijn die voor de vlinders vluchten
En stenen gooien naar ’t lenteblauw
Omdat ze bang zijn voor de bloemen
En bang zijn voor ik hou van jou

Ja, er moeten mensen zijn met tranen als zilveren kralen
Die stralen in het donker
En de morgen groeten
Als het daglicht binnenkomt op kousenvoeten

Weet je, er moeten mensen zijn die bellen blazen
En weten van geen tijd
Die zich kinderlijk verbazen
Over iets wat barst van mooiigheid

Ze roepen van de daken dat er liefde is en wonder
Als al die anderen schreeuwen: alles heeft geen zin
Dan blijven zij roepen: nee, de wereld gaat niet onder
En zij zien in ieder einde weer een nieuw begin

Zij zijn een beetje clown
Eerst het hart en dan het verstand
En ze schrijven met hun paraplu ‘i love you’ in het zand
Omdat ze zo gigantisch in het leven opgaan
En vallen en vallen en vallen en opstaan

Bij dat soort mensen wil ik horen:
Die op het tuinfeest in de regen blijven dansen
Ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan
De muziek gaat door
De muziek
Gaat
Door

Toon Hermans

 
Read more: https://muzikum.eu/nl/123-187-112457/toon-hermans/er-moeten-menzen-zijn-songtekst.html#ixzz4jKZy6tBh

 


“Yukon, la quête sauvage” ou la recherche passionnée des origines de l’Humanité’


Need for the ideal

“The human soul has a still greater need of the ideal than the real. It is by the real that we exist; it is by the ideal that we live.” 

Victor Hugo


Let your life speak

“The life I am living is not the same as the life that wants to live in me.”

If the self seeks not pathology but wholeness, as I believe it does, then the willful pursuit of vocation is an act of violence toward ourselves — violence in the name of a vision that, however lofty, is forced on the self from without rather than grown from within. True self, when violated, will always resist us, sometimes at great cost, holding our lives in check until we honor its truth. Vocation does not come from willfulness. It comes from listening. I must listen to my life and try to understand what it is truly about — quite apart from what I would like it to be about — or my life will never represent anything real in the world, no matter how earnest my intentions.”

That concept of vocation is rooted in a deep distrust of selfhood, in the belief that the sinful self will always be “self-ish” unless corrected by external forces of virtue. It is a notion that made me feel inadequate to the task of living my own life, creating guilt about the distance between who I was and who I was supposed to be, leaving me exhausted as I labored to close the gap. 

Today I understand vocation quite differently — not as a goal to be achieved but as a gift to be received. Discovering vocation does not mean scrambling toward some prize just beyond my reach but accepting the treasure of true self I already possess. Vocation does not come from a voice “out there” calling me to become something I am not. It comes from a voice “in here” calling me to be the person I was born to be.”

Parker Palmer


No man is an island

“No man is an island, entire of itself;
Every man is a piece of the continent, a part of the main…
Any man’s death diminishes me, because I am involved in mankind;
And therefore never send to know for whom the bell tolls; It tolls for thee.” John Donne

Arendt on relationship

‘The world lies between people, and this in-between … is today the object of the greatest concern and the most obvious upheaval in almost all the countries of the globe.’

‘The world is not humane just because it is made by human beings, and it does not become humane just because the human voice sounds in it, but only when it has become the object of discourse. However much we are affected by the things of the world, however deeply they may stir and stimulate us, they become human for us only when we can discuss them with our fellows… We humanize what is going on in the world and in ourselves only by speaking of it, and in the course of speaking of it we learn to be human.’


Hannah Arendt

Source: Brainpickings.org


%d bloggers liken dit: