Gedroomd Leven

Toon Hermans

Advertenties

Wegwerpaansteker

‘Ik ben een mens,
ik ben een wegwerpaansteker
in het donkere heelal.’

Chen Li (1954), dichter uit Taiwan


Geloven & beminnen

‘L’esprit croit naturellement, et la volonté aime naturellement: de sorte que faute de vrais objets il faut qu’ils s’attachent aux faux’

Pascal

‘Van nature gelooft het verstand en bemint de wil, zodat men zich bij gebrek aan juiste objekten aan verkeerde hecht.’


Over de eindigheid van het vakjesdenken: een varken is geen sprinkhaan, en de ene godsdienst is gewoon de andere niet. — Visionair België

Senator Sabine de Bethune (CD&V) en senaatsvoorzitter Christine Defraigne (MR) willen de grondwet wijzigen zodat dieren voortaan als “wezens met gevoelens” worden omschreven. Daardoor zullen andere grondrechten, zoals godsdienstvrijheid, altijd rekening moeten houden met dierenrechten. Dat worden dan overuren voor het Grondwettelijk Hof en de Raad van State, want als godsdienstvrijheid én dierenrechten beide in de grondwet zijn ingeschreven, hoe gaat men dan bijvoorbeeld het door moslims en joden geëiste onverdoofd slachten evalueren?
Naar mijn gevoel lijden beide (goedbedoelde) principes aan een groteske veralgemeningsdrift die weliswaar eigen is aan juristen, maar die men als “wereldvreemd” kan beschouwen, in de filosofische zin van abstract.
Ik begin met de dierenrechten, waarbij iedereen denkt aan de behandeling van de varkens in de slachterij van Tielt en het choquerende undercoverfilmpje daarover. Maar het dierenrijk is groot, zeer groot, en omvat ook vlooien, bladluizen en de ééncellige snoodaards die mijn zoon vijf weken in het ziekenhuis hebben gehouden wegens botinfectie. Het klinkt belachelijk om hen “dierenrechten” toe te kennen, maar vanuit het natuurlijk, niet-antropocentrisch standpunt hebben ze evenveel recht op leven en behoren ze evenzeer tot de kosmische ordening als een varken, hamster, uw schoothond of maitresse.
Het Boeddhisme is daarin radicaal: je doodt geen levend wezen, maar dat levert onvermijdelijk dilemma’s op. Hadden ze geen zware antibioticakuur op die bacterieën afgevuurd, mijn zoon had er kunnen aan bezwijken. Een leven redden door er miljoenen te doden dus. Worden er geen bestrijdingsmiddelen gebruikt in de landbouw, dan overleven alle sprinkhanen, joepie, maar gaan er massa’s mensen dood aan ondervoeding. Tot op vandaag zijn ze er niet uit, de Boeddhisten: het leven zit vol dilemma’s, het grote mededogen is onvermijdelijk selectief.

Het scheermes van Ockham

Over naar de godsdienstvrijheid dan, dat andere grondrecht. Boeddhisten, pastafaristen, en andere vredelievende religieën, welja, waarom zouden we hen niet laten betijen en broederlijk/zusterlijk laten coëxisteren. Maar met de islam hebben we een probleem: het is een religie die alle andere uitsluit en daar ook een gewelddadige ideologie aan verbindt. Vergelijk ik nu moslims met sprinkhanen? Neen, u hebt dat spontaan gedacht. En waarom? Omdat het woord “godsdienst” blijkbaar zo breed is, dat het praktijken dekt waar wij letterlijk niet mee kunnen leven. Ergo: het woord godsdienst zelf deugt niet, en a fortiori ook niet het woord godsdienstvrijheid.
Maar ons gevoel dat de ene godsdienst de andere niet is, stoot op de abstractie die de taal zelf maakt, waardoor boeddhisme, pastafarisme, christendom, jodendom en islam formeel allemaal tot dezelfde categorie behoren. Bedot de mens daarmee zichzelf? Het lijkt erop. Het wetenschappelijk-logisch denken heeft ons ver gebracht, in de wiskunde kunnen wij zeggen dat elke vlakke figuur met drie zijden en drie hoeken een driehoek is. Maar de wereld logisch-wiskundig bekijken, lukt niet: elke definitie stoot op anomalieën, met de multicultuur als een van de flagrantste voorbeelden van misrekening. Niet elke cultuur lijkt onder die noemer te kunnen vallen.
De middeleeuwse filosoof William Van Ockham (1288 – 1347) geldt samen met zijn antieke voorganger Aristoteles en nakomer Ludwig Wittgenstein als de oplosser van dat groot misverstand: het fameuze Scheermes van Ockham maakt korte metten met abstracties (universalia) die doen alsof de wereld netjes geordend is en alles in een schuifje thuishoort. Neen dus, woorden proberen dingen te ordenen, maar die dingen trekken zich daar niks van aan. Na zeven honderd jaar moeten we die illusie eindelijk laten varen. Het ordenend denken heeft lang gewerkt, maar nu keert het zich tegen ons en moeten we het afgooien als een oude huid.
Dat heeft verstrekkende gevolgen, want de wetenschap, de cultuur, de technologie, de politiek, het recht, de sociale orde, de moraal,- ze zijn allemaal gebaseerd op veralgemeningen en grootste gemene delers. Waardoor Wim Delvoye en Mozart beide in het vak “kunst” terecht komen, een lintworm en een varken in het vak “dier”, Vermeersch en Sanctorum in het vak “filosoof”, terwijl de verschillen veel groter zijn dan de gelijkenissen.

Zoek de mens

De planetaire crisis waar we nog maar pas zijn binnengestrompeld, is meteen ook een cognitieve en taalkundige crisis, die heel ons waarnemingsmodel, denkvermogen en taal overhoop haalt, de manier hoe we de wereld zien en bevatten dus.
De wereld van de clichés en de stramienen loopt op zijn laatste benen, maak kennis met het radicale postmodernisme. Waarom bijvoorbeeld homo’s zich nog als homo’s willen outen, is mij een raadsel. Groepsattitudes verlengen enkel het categorisch misverstand en lokken het geweld uit van tegengroepen.
Tenslotte heeft ook het woord/begrip “mens” zijn houdbaarheidsdatum bereikt, vandaar de nieuwe discussie over de mensenrechten, bijvoorbeeld over het procedurerecht en het absurde feit dat drugdealers fluitend het gerechtshof buiten wandelen “omdat de wet nu eenmaal voor iedereen geldt”. Niet dus. Er is een verschil, een maffiabaas valt niet gelijk te stellen met een man die een brood steelt zegt het gezond verstand, we voelen het aan ons water, ook al maken de juristen en denktechnocraten ons wijs dat schuifjes en vakjes wél werken.
Diogenes zocht al naar dé mens en vond er geen: ze zijn allemaal zo verschillend dat er geen etiket op te plakken valt. Het beste bewijs zijn de (a-)sociale media: er zijn geen mensen, enkel individuen, en dan nog. Dus ook die mensenrechten: laat maar zo. Het is goed dat we dat inzien, het kan ons alleen maar slimmer maken, want abstract denken en overal etiketten op plakken zie ik als een subtiele vorm van domheid.
Dat betekent natuurlijk ook dat de ene moslim de andere niet is, en het ene varken het andere niet, we moeten consequent zijn. Alles is enkel, en alleen op die manier ontsnappen we aan de totale uitroeiing. En nu ga ik me scheren, verbeter de wereld, begin bij uzelf.

via Over de eindigheid van het vakjesdenken: een varken is geen sprinkhaan, en de ene godsdienst is gewoon de andere niet. — Visionair België


Willekeurige Warhoop

Een willekeurige warhoop is de mooiste wereldorde

Herakleitos


Caminante no hay caminos, se hace camino al andar

Caminante no hay caminos

Antonio Machado


Er moeten mensen zijn

Er moeten mensen zijn die zonnen aansteken
Voordat de wereld verregend
Mensen die zomervliegers oplaten
Als ’t ijzig wintert
En die confetti strooien tussen de sneeuwvlokken
Die mensen moeten er zijn

Er moeten mensen zijn die aan de uitgang van ’t kerkhof ijsjes verkopen
En op de puinhopen mondharmonica spelen
Er moeten mensen zijn die op een stoel gaan staan
Om sterren op te hangen in de mist
Die lente maken van gevallen bladeren
En van gevallen schaduw licht

Er moeten mensen zijn die ons verwarmen
En die in een wolkeloze hemel
Toch in de wolken zijn
Zo hoog
Ze springen touwtje langs de regenboog
Als iemand heeft gezegd:
Kom maar in m’n armen

Bij dat soort mensen wil ik horen:
Die op het tuinfeest in de regen dansen
Ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan

Er moeten mensen zijn die op het grijze asfalt
In grote witte letters ‘liefde’ verven
Mensen die namen kerven in een boom vol rijpe vruchten
Omdat er zoveel anderen zijn die voor de vlinders vluchten
En stenen gooien naar ’t lenteblauw
Omdat ze bang zijn voor de bloemen
En bang zijn voor ik hou van jou

Ja, er moeten mensen zijn met tranen als zilveren kralen
Die stralen in het donker
En de morgen groeten
Als het daglicht binnenkomt op kousenvoeten

Weet je, er moeten mensen zijn die bellen blazen
En weten van geen tijd
Die zich kinderlijk verbazen
Over iets wat barst van mooiigheid

Ze roepen van de daken dat er liefde is en wonder
Als al die anderen schreeuwen: alles heeft geen zin
Dan blijven zij roepen: nee, de wereld gaat niet onder
En zij zien in ieder einde weer een nieuw begin

Zij zijn een beetje clown
Eerst het hart en dan het verstand
En ze schrijven met hun paraplu ‘i love you’ in het zand
Omdat ze zo gigantisch in het leven opgaan
En vallen en vallen en vallen en opstaan

Bij dat soort mensen wil ik horen:
Die op het tuinfeest in de regen blijven dansen
Ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan
De muziek gaat door
De muziek
Gaat
Door

Toon Hermans

 
Read more: https://muzikum.eu/nl/123-187-112457/toon-hermans/er-moeten-menzen-zijn-songtekst.html#ixzz4jKZy6tBh

 


“Yukon, la quête sauvage” ou la recherche passionnée des origines de l’Humanité’


Need for the ideal

“The human soul has a still greater need of the ideal than the real. It is by the real that we exist; it is by the ideal that we live.” 

Victor Hugo


Let your life speak

“The life I am living is not the same as the life that wants to live in me.”

If the self seeks not pathology but wholeness, as I believe it does, then the willful pursuit of vocation is an act of violence toward ourselves — violence in the name of a vision that, however lofty, is forced on the self from without rather than grown from within. True self, when violated, will always resist us, sometimes at great cost, holding our lives in check until we honor its truth. Vocation does not come from willfulness. It comes from listening. I must listen to my life and try to understand what it is truly about — quite apart from what I would like it to be about — or my life will never represent anything real in the world, no matter how earnest my intentions.”

That concept of vocation is rooted in a deep distrust of selfhood, in the belief that the sinful self will always be “self-ish” unless corrected by external forces of virtue. It is a notion that made me feel inadequate to the task of living my own life, creating guilt about the distance between who I was and who I was supposed to be, leaving me exhausted as I labored to close the gap. 

Today I understand vocation quite differently — not as a goal to be achieved but as a gift to be received. Discovering vocation does not mean scrambling toward some prize just beyond my reach but accepting the treasure of true self I already possess. Vocation does not come from a voice “out there” calling me to become something I am not. It comes from a voice “in here” calling me to be the person I was born to be.”

Parker Palmer


No man is an island

“No man is an island, entire of itself;
Every man is a piece of the continent, a part of the main…
Any man’s death diminishes me, because I am involved in mankind;
And therefore never send to know for whom the bell tolls; It tolls for thee.” John Donne

Arendt on relationship

‘The world lies between people, and this in-between … is today the object of the greatest concern and the most obvious upheaval in almost all the countries of the globe.’

‘The world is not humane just because it is made by human beings, and it does not become humane just because the human voice sounds in it, but only when it has become the object of discourse. However much we are affected by the things of the world, however deeply they may stir and stimulate us, they become human for us only when we can discuss them with our fellows… We humanize what is going on in the world and in ourselves only by speaking of it, and in the course of speaking of it we learn to be human.’


Hannah Arendt

Source: Brainpickings.org


Truth and meaning

“No matter how large the tissue of falsehood that an experienced liar has to offer, it will never be large enough … to cover the immensity of factuality.”

Quote by Hannah Arendt

From her treatise on defactualization in politics

Source: In Search for a Better Worl: Karl Popper on Truth vs. Certainty and the Dangers of Relativism


Uit het discours gegrepen

Uit het discours gegrepen 24-1-27, Doe normaal – http://wp.me/p4wvrQ-RG

Filosofen hebben een grote gevoeligheid voor het woordje “normaal”. Zij weten immers dat het geenszins evident is om te identificeren wat normaal is. Normaliteit is geen toestand, het is een waarde-oordeel. In de filosofie is er een zekere traditie die precies bepaalde vormen van normaliteit apart plaatst van anderen om ze als illegitiem te identificeren. Het heeft bijvoorbeeld millennia geduurd vooraleer een bepaalde kritiek op de normaliteit van slavernij haar effectiviteit kon bereiken. Kritiek uitoefenen op de normaliteit van bepaalde omgangspraktijken is het moeilijkste, ondankbaarste en toch meest noodzakelijke aspect van een filosofische levenshouding. Mensen houden er immers niet van als filosofen in vraag stellen wat zij als een evidente norm beschouwen: kritische filosofie breekt plots in de huiskamer binnen om de meest kostbare fetisjen kapot te slaan die jarenlang onaangeroerd op de haard hebben gestaan. Het is een precaire aangelegenheid. Tot een omgangspraktijk een omkeer kent, is de kritische stem immers de paria, en wanneer de ommekeer intreedt, is de kritische stem plotsklaps overbodig, meer zelfs dan wordt die stem enerverend.

Bovendien dreigt altijd het gevaar dat je kritische houding zich omzet naar een tegendraadse houding. Dan transformeert de filosoof naar een contrair persoon die altijd in eender welke discussie een andere norm hanteert dan de rest. Tussen kritiek en tegendraadsheid ligt een dunne grens. Filosofische helden of mislukte ambetanteriken, het onderscheid wordt pas achteraf gemaakt. De filosofische levenshouding aannemen impliceert dat je iets opgeeft, namelijk je vermogen in de normaliteit van omgangspraktijken op te gaan. Daarmee neem je een zeker risico: mensen verwachten bij jou altijd de mogelijkheid van een kritische ingreep die de omgang bemoeilijkt, ze spreken je anders aan, of mijden je zo veel als mogelijk. En toch levert het zoveel meerwaarde om af en toe dat risico te nemen en de filosofische levenshouding uit te oefenen (en iedereen kan dit). Dat risico zorgt er immers voor dat onrecht, pijn en naïviteit de wereld uitgewerkt worden.


Parzival, Puer Aeternus, and Healing the Waste Land

Integrating Conscious and Unconscious

© 2008 by Joseph Good

Parzival by Feirefiz

In a lecture given at Pacifica Graduate Institute, Dr. Glen Slater, a Jungian scholar and professor, diagrammed the formation of the ego within the theoretical context of Jungian psychology. 

He suggests that the individual ego is formed as a product of the collision of influences of culture with impulses of instinct. Dr. Slater, following C.G. Jung, says the human child is born as a mass of instinctual impulses, consciousness without ego. As the child grows, the demands and requirements of the world, the cultured world, assert themselves, often in direct conflict with the energies of that primal instinctive base. The tension between the instincts of the unconscious and the behavioral expectations of culture create a complex around the Self archetype which becomes the ego

The consequences of this inevitable conflict are both positive and negative, both to the developing human being and the wider community

In Wolfram von Eschenbach’s Parzival we can observe, through the metaphor of the Grail Quest, the implications for the individual and the world when the conscious, rational, cultured mind overrides the instinctive bases of human existence.

When we first meet Parzival he is the embodiment of the pre-ego state of psyche-nature described by Slater. Parzival lives with his mother in distant woods, unencumbered by civilized culture. “He washed himself in the meadow on the river-bank each morning. He had no care in the world save the singing of the birds overhead” (Parzival 71). Parzival, thanks to the loving protection of his mother, is in this state of a-culturality, free to behave and move as his own nature manifests. 

As Edward Edinger states in Ego and Archetype, “In the paradise age, the people are still in union with the gods. This represents the state of the ego that is as yet unborn, not yet separated from the womb of the unconscious and hence still partaking of the divine fullness and totality” (8). Wolfram does not keep Parzival in this state for long.

Parzival Departs

Early in the story Parzival leaves his mother to pursue his newfound desire to become a knight. The model of pre-cultural consciousness (and perhaps bliss) now begins his encounter with the world beyond the idyllic one dominated by his mother and nature.

When this pre-egoic consciousness begins to interact with the culture that contextualizes it, the formation of the ego begins. Typically, this is the slow process of an infant coming to understand acceptable and unacceptable behaviors and forthwith orient its consciousness to those demands. As the ego forms in this way, there also manifests the conflict between the demands of the culture with the desire-impulses of the growing infant. Wolfram gives us this process in a condensed version with a much older subject in Parzival. It is in Parzival’s first meeting with Gurnemanz that we see in dialog form the interaction of non-ego consciousness and culture; “Keep to my advice, it will save you from wrong-doing” (Parzival 95). Gurnemanz delivers the following well-intentioned advice;

never lose your sense of shame […] be rich and poor with discretion […] give moderation its due […] do not ask many questions […] temper daring with mercy […] wash your face and hands [after battle] […] man and woman are all one. (95—96)

Gurnemanz is serving as the culture-transmitting agent which will supplant, in part, the raw, unconscious impulses of Parzival; “Now have done with unformed ways!” (96). Eventually, a critical portion of this advice will conspire with Parzival’s desire and directly result in his failure at the Grail Castle.

Parsival by Herman Hendrich

Having received Gurnemanz’s advice and taken it seriously, commensurate with his own desire to become a knight, Parzival arrives at the Grail Castle. The dazzling procession of the Grail gave context to the moment at which Parzival had his first opportunity to heal the grail king. The impulse was there. He thought about asking The Question — and hesitated. When his conscious thought about asking the question superseded his impulse to ask it, he failed. He simply recalled the advice Gurnemanz had given him; “Gurnemanz advised me with perfect sincerity against asking many questions” (127). With this recollection, accompanied by the awkward pause of anticipation among the grail host, punctuated by the realization that the question was not forthcoming. Parzival was completely ignorant of the profound implications of this moment, as most of us are each time we’re presented with the opportunity to ask. And, as with so many calamities, the effects are far enough removed from their causes that no connection can be drawn between them, no relationship noticed or deduced. So, here too, Parzival leaves the Grail Castle absolutely unaware that he has become the instrument of ill fate.

In the moment of the suppression of the unconscious, the psyche becomes divided, the unconscious no longer informs conscious thought or action, and the unconscious is disassociated from the conscious. 

Joseph Campbell describes the modern state of the human psyche this way and it is also relevant to the condition which Parzival represents; “The lines of communication between the conscious and the unconscious zones of the human psyche have all been cut, and we have been split in two” (Hero 388). And Carl Jung suggests;

Normally the unconscious collaborates with the conscious without friction […] but when an individual […] deviates too far from their instinctual foundations, they then experience the full impact of unconscious forces. (Essential Jung 219)

One such unconscious force comes in the form of Sigune who lambastes Parzival for his failure the instant she discovers who he is and what he’s done. Another aggressive criticism of his failure comes from the sorceress Cundrie, who redresses him in the company of Arthur’s court and shames him openly and deeply. The woe and despair of Parzival at the realization of his failure drive him into the wilderness for five years. The wilderness is that zone of the psyche which is primarily unconscious. It is untamed and generally unknown, lurking with darkness and danger. This is the time of the reunification of the psyche. The unconscious has asserted its force and the conscious mind will now reorient itself to operate in collaboration with its unconscious counterpart.

The return of the unconscious aspect of the psyche is evident in Parzival’s seemingly naïve commitment to return to the Grail Castle in order to “right his wrong.” We are told by Sigune, however, immediately after Parzival’s initial failure, “[w]hen someone is meant to see the castle it must come to pass unwittingly” (132). This is to say; when one comes upon the Grail Castle it will not be the result of a conscious search for it. Therefore, one cannot intend to find the castle. Yet, this is exactly what Parzival does; he ignores the reported futility of an intentional quest for the Grail Castle, an act which requires a juvenile rebelliousness. This is the reassertion of the puer aspect, the pre-egoic instinctive drive, of Parzival that was preempted at the meeting with Gurnemanz and now reintegrates itself with Parzival’s conscious processes.

Within the context of the structures and dynamics of the psyche as outlined by C.G. Jung, this event can be seen as a result of the unification of the once disparate elements of the psyche. In this way we can describe the nature of the grail quest today; to reunite the divided aspects of the psyche, the quest for wholeness. In the case of Parzival it involves the rediscovery and integration of the primary, unconscious aspect which is characterized by the puer, infancy or youth.

Here, puer aeternus refers to that childlike, pre-cultural aspect of the psyche, the deep centers of instinct, not the pathological reluctance to surrender youth, as described by Marie-Louise Von Franz in The Problem of the Puer Aeternus. Rather, as the state of connection with the instinctual base of human life.

The “child within” becomes a critical agent for the health of human kind, the absolute necessary element of healthy and whole human existence.

As necessary as the development of the ego is for a healthy and functioning human adult, it can also become the adult’s, and indeed the world’s, most obstinate obstacle.

Parzival and the Red Knight

Echoes of the recognition of the pre-ego state, of infancy or youth, containing the essential connection to vitality; the suggestion that ego-consciousness and intentionality are errant ways of thinking of solutions to problems created by those very modes of thought, are found in the wider ranging philosophies of the far East to which T.S. Eliot gives a significant gesture at the end of The Waste Land

Eliot’s idea of revivifying the waste-land comes directly from the Hindu tradition, from the Brihadaranyaka Upanishad, when he suggests the “da” solution; damyatadatta, and dayadhvam — self-control, giving, and compassion. Also, from the tradition of Confucius, from The Book of Mencius, “[t]he great man is he who does not lose his child’s-heart” (IV 2.12). 

Another contemporary, Joseph Campbell, remarks directly of Parzival, “[h]e is to be a sort of puer aeternus, virtuous and fearless, whose nature itself will be the key to the undoing of a spell that no intentional program of courage or virtue could dissolve” (Creative Myth 136).

The modern emphasis on the conscious aspect of the psyche, the ego specifically, can be observed in our methods of problem solving. Science is our method, logic the guide. Technology, as the instrument of science, is the preferred tool for correcting problems of human existence. For example, in order to eradicate disease we create medicines, in order to make more food than the land will yield in its natural course we manufacture synthetic foods, in order to live in places the human being is not capable of living without assistance we build enclosures within which we regulate the climate. All of these “solutions,” however, present new problems. Cures for diseases create resistant strains of bacteria, synthetic foods necessarily lack qualities which can sustain healthy living so sickness escalates; our environmental controls consume massive amounts of energy which generates pollutants enough to threaten the ecological balance of the entire planet. 

What is our solution to these new problems? We apply more technology, more of the original cause. The cycle seems to have a momentum of its own at this point in history. 

We, by way of our devotion to the rational, scientific consciousness and mode of thought create a literal wasteland for ourselves which serves as a reflection of the inner wasteland, the more dangerous to be sure. 

Again, our causes lack the awareness of their effects and so we continue smoking, oblivious of the connection to our cancer. When the conscious mind operates in rejection of the unconscious the Wasteland is the result.

This “Parzivalian puer” is the one of the middle ground. It is the puer integrated with the senex to become a being who wields the wisdom of both worlds. The creative, unmanaged, wanton world of the unconscious integrated with the structured, ordered, calculated world of the conscious without the disastrous emphasis of one over the other.

Parzival is the model for our time as much as he was for Wolfram’s time, though perhaps for slightly different reasons. We, too, have failed in our first (nth?) visit to the grail castle and the king’s wound remains open and festering. 

A return to our own instinctive base, the impulses of the child of possibility, is the domain and source of our salvation. Polarities no longer serve, if they ever did, and our task is to surrender our ego-conscious emphasis in order to survive. We face no greater threat to ourselves than ourselves. 

However the solution may look in the end, it will not be a premeditated, structured, carefully implemented and thoroughly calculated process. It will be spontaneous, unforeseen in its particulars, and broad in its inspiration.

Even the impulse to make this point more clearly, an impulse that is, itself, a product of the western, rational-scientific psyche, to render a comprehensible, cogent, and concise, methodical solution is precisely what is to be recognized as untenable. Or, at least, a solution that is all of those things is destined to fail because the solution cannot be solely of the ego-conscious mind. It won’t be one that can be predicted or ordered. It is of the same nature as myth. 

Indeed, it may be a new myth that is required to heal the modern waste land and achieve the collaboration of the two disparate aspects of the psyche

As Joseph Campbell states in The Hero with a Thousand Faces, “[…] the symbols of mythology are not manufactured; they cannot be ordered, invented, or permanently suppressed. They are spontaneous productions of the psyche […]” (4).

The “solution” to the problem of the wasteland will resemble the nature of those mythological symbols in their unpredictability and spontaneity. Beyond that we can only imagine the possibilities.

Works Cited

  • Campbell, Joseph. The Hero with a Thousand Faces. Princeton: Princeton UP,1973.
  • Campbell, Joseph. The Masks of God: Creative Mythology. New York: Penguin Books, 1991.
  • Edinger, Edward P. Ego and Archetype. Boston: Shambhala, 1992.
  • Eliot, T.S. The Waste Land. Ed. Michael North. New York: W. W. Norton and Company, Inc., 2001.
  • Jung, Carl Gustav. The Essential Jung. Ed. Anthony Storr. Princeton: Princeton UP, 1983.
  • Legge, James, trans. The Works of Mencius. 2nd ed. Oxford: Clarendon Press, 1895.
  • Slater, Glen. “The Ego-Self Relationship”. Pacifica Graduate Institute. Carpinteria, California. 28 June. 2006.
  • Von Eschenbach, Wolfram. Parzival. Trans. A.T. Hatto. Middlesex, England: Penguin Classics, 1980.

Joseph Good is a member of the Mythic Imagination Institute’s Leadership Team and he currently attends Pacifica Graduate Institute.


Leven in een spinnenweb

​“In deze interieurs leven betekende dicht ingeweven, ingesponnen zijn in een spinnenweb, waarin de wereldgebeurtenissen verstrooid, als uitgedroogde insectenlichamen, opgehangen waren.” 

(Walter Benjamin)


The Bath-House by Abu Nuwas

In the bath-house, the mysteries hidden by trousers
Are revealed to you.
All becomes radiantly manifest.
Feast your eyes without restraint! 
You see handsome buttocks, shapely trim torsos,
You hear the guys whispering pious formulas
to one another: ‘God is Great! ‘ ‘Praise be to God! ‘ 
Ah, what a palace of pleasure is the bath-house! 
Even when the towel-bearers come in
And spoil the fun a bit.
 

Abu Nuwas


Woorden

“Het basisgereedschap voor de manipulatie van de werkelijkheid is de manipulatie van woorden. Als je de betekenis van woorden kunt beheersen, kun je de mensen beheersen, die de woorden moeten gebruiken”


Philip K. Dick

Mysticus en SF-schrijver


Seized by Agreement, Swamped by Understanding

​I don’t want your agreement!

I think I would prefer your understanding.

Your agreement would be useful in a workplace to achieve a task. But that is 

not a social system.

We want to live together in mutual respect.

Your agreement would take hold of me and threaten to devour my own being –

just as my agreement would do to you.

For we each bring forth our own world in our every present moment.

No matter how convenient it may seem to be, I cannot truly stand still – with 

you or anyone.

But there are times when I can empathise with you so strongly!

At such times we dance to one another’s music – swirl in the flow of the other’s 

emotional stream.

And then, for a moment, I will disappear.

I don’t think I want your total understanding either.

My real desire is to be with you in loving conversation.

Then, we both may grow as living things.

Bron: Seized by Agreement, Swamped by Understanding 

Lloyd Fell, David Russell & Alan Stewart (eds) 


What About U?

7 augustus 2013
Er waren eens mannen met plannen. Ze wilden revolutionaire winkelgebouwen neerplanten, grootse architecturale constructies, waar je alles kon kopen en waar winkelen een echte belevenis zou worden. Hun winkelwalhalla’s zouden iets nieuws brengen, iets wat nog nooit was gezien. Tegenstanders waren onder meer kleine winkeliers in de omgeving. Ze waren bang verpletterd te worden door de mastodonten waarmee ze nooit zouden kunnen concurreren. Voorstanders zagen vooral de economische winst. Voor hen waren de Walhalla’s innovatief en goed voor de economische ontwikkeling.

Het zal u misschien verbazen, maar die mannen met plannen leefden in de tweede helft van de negentiende eeuw. Ze bouwden de voor ons zo vertrouwde Brusselse warenhuizen als de Au bon marché (1860), A l’Innovation (1897) en Old England (1899) die toen evenveel controverse en emoties teweegbrachten als Uplace vandaag. Dat Emile Zola met Au bonheur des dames (1883) een hele roman aan het nieuwe fenomeen wijdde, was geen toeval. Dat die roman deel uitmaakte van de cultuurkritische Rougon Macquartserie was dat al evenmin. In Au bonheur des dames synthetiseerde Zola namelijk de eigentijdse controverses en de emoties die het warenhuis in Parijs en de rest van Europa had teweegbracht.

De emoties kwamen inderdaad voort uit de grotere maatschappelijke debatten waarmee de economische argumenten waren vervlochten. De economische argumentatie draaide in essentie immers om het ruimere vraagstuk van het consumptiekapitalisme. De schaalvergroting die warenhuizen in het winkellandschap teweegbrachten, zorgde in de eerste plaats voor controverse omwille van het ongebreidelde karakter ervan. Het debat dat zich rond dat ongebreideld consumeren ontspon, oversteeg het economische vraagstuk. Het was ook sociaal en cultureel van aard. Zola karakteriseerde het warenhuis bijvoorbeeld als een industriële machine, die ’s ochtends al piepend en krakend op gang kwam en tegen de middag – met een zwerm half hysterische vrouwen opgezogen in het fabelachtige interieur – op volle toeren draaide. Het warenhuis stond symbool voor de versnelling en de mechanisering van de toenmalige samenleving en over de wenselijkheid van dergelijke paleizen van verleiding en consumptie.

Een ander – verwant, maar minder opvallend – maatschappelijk debat dat rond het warenhuis werd uitgevochten, was dat van de positie van de vrouw in de publieke ruimte. Voor velen stond het warenhuis inderdaad symbool voor de zelfstandige en ongecontroleerde aanwezigheid van vrouwen in de samenleving, wat op dat moment veelal als ongepast werd ervaren. Anderen bestempelden het warenhuis dan weer als beperkend voor de vrouwelijke ontwikkeling. De vrouw werd er herleid tot een passief, consumptief wezen. Duidelijk is dat de commotie over warenhuizen destijds de besognes en problemen weerspiegelde waarmee de samenleving worstelde. Deze zogenaamd economische instellingen waren dan ook geen maatschappelijke Bermuda-driehoeken en zijn dat nog steeds niet.

Ook vandaag is het debat over Uplace meer dan een louter economisch en ecologisch dossier. En net daar schuilt het probleem. Het debat wordt hoofdzakelijk in technische en praktische termen gevoerd. Bart Verhaeghe, de man achter het Uplace-plan, heeft het over jobcreatie en de toename van investeringen. Zijn website is duidelijk : ‘De Belgische consument (…) geeft zijn euro’s uit in Londen, Parijs, Amsterdam of zelfs New York. Uplace brengt die inkomsten en investeringen terug naar eigen land.’ Unizo protesteert dan weer tegen de moordende concurrentie die Uplace voor de lokale kleinhandel zou betekenen.

Nog anderen twijfelen dan weer aan de economische rendabiliteit van het project. Zij argumenteren dat het onzinnig is te investeren in een megalomaan shoppingcenter, terwijl in de Verenigde Staten de voor de Amerikaanse cultuur zo emblematische malls in een crisis terecht zijn gekomen. Sinds het advies van de milieucommissie en de beslissing van minister Schauvliege zijn ook de ecologische argumenten van sanering (pro) tot vervuilende files (contra) legio.

Hoewel die economische en ecologische argumentaties verwijzen naar grotere maatschappelijke, ideologische en culturele vraagstukken, worden deze laatste – anders dan in negentiende-eeuwse debatten – systematisch uit de weg gegaan. Hoewel Annelies Beckx zich in haar stukje in De Standaard (DS 6/01/2012) openlijk afvroeg of we echt nog meer ‘scharminkels van megawinkels’ nodig hebben, is die vraag nauwelijks opgepikt. Die vraag gaat niet over de economische rendabiliteit, maar wel over de culturele en maatschappelijke implicaties van nóg een nieuw winkelcentrum.

Net als in de negentiende eeuw is het debat rond Uplace doortrokken van maatschappelijke overwegingen. Alleen komen die overwegingen in het Uplace-dossier te weinig expliciet aan bod. Net omdat de maatschappelijke vraagstukken indirect elke beslissing beïnvloeden, zouden we er openlijker over moeten durven discussiëren. Willen we een maatschappij waarin consumptie zo welig mag tieren als mogelijk is? Willen we nóg meer en nóg grootser, met alle economische, ecologische, sociale en culturele gevolgen van dien? Of willen we een samenleving die in het spoor van de huidige trends van retro, kleinschalig en tweedehands, cultuurkritisch omgaat met haar consumptiegewoontes?

Willen we op het gaspedaal duwen, of willen we schakelen of remmen? Dat is de centrale vraag. Dat is wat dit dossier zo emotioneel maakt. En misschien zou de minister van Leefmilieu haar Cultuur-hoed ook even kunnen opzetten om zich over die maatschappelijke vraag te buigen.

(Anneleen Arnout)

Bron: cultuurgeschiedenis.be


%d bloggers liken dit: